De regisseur die het Vlaamse theater Grotowski leerde kennen
Franz Marijnen bij de KVS in 1999.   Foto:  VUM

Theaterregisseur Franz Marijnen overleed gisteren op 79-jarige leeftijd. Met een carrière van een halve eeuw geldt hij als een van de exponenten van de Vlaamse avant-garde, die een radicale breuk wilde maken met het muffe naoorlogse theater.

Marijnen studeerde regie aan het RITCS in Brussel. Nog tijdens zijn studie begon hij te regisseren bij het Mechels Miniatuur Teater in zijn thuisstad. In 1966 ontmoette Marijnen de Poolse theatervernieuwer Jerzy Grotowski tijdens een workshop in Brussel. Een jaar later trok hij naar Polen voor een acht maanden durende stage bij diens Theaterlabora­torium in Wroclaw. Het zou zijn leven veranderen, zei Marijnen ­later: ‘Daar werden de eerste scheuren in mijn burgerlijke Vlaamse ziel getrokken.’

Na zijn terugkeer probeerde hij, net als de in 2019 overleden Tone Brulin, de methodiek van Grotowski ingang te doen vinden bij Vlaamse en Nederlandse theatergroepen. Maar Marijnen stootte daar vaak op weerstand van de klassiek geschoolde acteurs.

Er restte niets anders dan vluchten naar de VS. Daar was rond 1970 de ­tegencultuur in ­volle bloei en sloegen zijn ideeën over een collectieve, op experiment en improvisatie gestoelde manier van theatermaken aan. Hij gaf er les en stichtte het gezelschap Camera Obscura, waarmee hij vijf stukken maakte die de ­wereld rondreisden. Volgens theatertijdschrift Etcetera kwam daarin de kern van zijn theater het sterkst tot uiting: ‘de authenticiteit van de acteur, zijn fysieke ­inzet en een directe, zelfs rauwe vorm van communicatie’.

Weinig succes bij KVS

Bij zijn terugkeer naar Europa in 1977 werd Marijnen de eerste ­directeur van het Ro Theater in Rotterdam. In 1993 werd hij aangesteld als intendant van de ­Koninklijke Vlaamse Schouwburg in Brussel. In die periode kampte de KVS met een aanslepend verbouwdossier dat veel energie vrat en zware financiële problemen veroorzaakte. Maar ook artistiek was ­Marijnens termijn geen hoog­vlieger. Bij zijn afscheid in 2000 schreef deze krant: ‘De reputatie van beeldenstormer en barok ­virtuoos had hij als een lege slangenhuid achter zich gelaten. Nu diende hij de teksten van de grote meesters, met veel respect, maar vaak zonder uitgesproken visie.’

In de jaren nadien verbleef ­Marijnen vaak in zijn buiten­verblijf op Cyprus. Voor Music Hall regisseerde hij in 2003 De kleine prins. Bij Het Nationaal Toneel in Den Haag maakte hij producties over zijn idolen: pianist Glenn Gould en filmmaker Pier Paolo Pasolini.

In 2012 maakte Marijnen zijn comeback in Vlaanderen, niet toevallig bij ‘t Arsenaal, de opvolger van het Mechels Miniatuur Teater. Daar regisseerde hij Winter, naar Jon Fosse en met acteurs Lucas Van den Eynde en Lotte Heijtenis, en Scarlatti.

Je wil onze betalende artikels lezen maar nog geen abonnement nemen? Meld je aan en proef gratis van  plus-artikels.

Lees gratis ›

Geen betaalgegevens nodig