Nederlandse schrijver en dichter Remco Campert is op 92-jarige leeftijd overleden
Remco Campert in 2016.  Foto:  Jorgen Caris

Het overlijden van Remco Campert betekent afscheid nemen van een weemoedige, opgewekte dichter, columnist en romanschrijver die het leven vierde door zo lichtvoetig mogelijk te schrijven.

Remco Campert was altijd uit op ontroering, nooit op drama. Er moest bij te lachen en bij te drinken zijn. ‘Als een seismograaf registreert Remco Campert de lichtheid van het bestaan’, schreef de jury van de Prijs der Nederlandse Letteren, die de schrijver in 2015 ontving uit handen van Koning Filip. Camperts werk staat bekend als toegankelijk en niet-intellectueel, maar die lichtheid heeft iets bedrieglijks, constateerde de jury. Inderdaad gaat er een lading aan gevoelens en geschiedenis schuil achter zijn humorvolle, ontroerende teksten. De laatste regels van zijn gedicht ‘Poëzie is een daad’ (1955) luiden:

Elk woord dat wordt geschreven

is een aanslag op de ouderdom.

Ten slotte wint de dood, jazeker,

maar de dood is slechts de stilte in de zaal

nadat het laatste woord geklonken heeft.

De dood is een ontroering.

Remco Campert wordt geboren op 28 juli 1929 in Den Haag en is drie als zijn ouders scheiden. Zijn moeder Joekie Broedelet is rondreizend actrice en Remco wordt grootgebracht door tantes en zijn grootvader, die schrijver is. ‘Het geluid van de krassende pen had iets heiligs’, noteert Remco later. Zijn vader, journalist en boemelaar Jan Campert, is de grote afwezige. Als Remco tijdens de oorlog is ondergebracht op het platteland, komt zijn moeder hem vertellen dat vader is omgekomen in concentratiekamp Neuengamme. Hij schrijft er het gedicht ‘Januari 1943’ over:

ik keek op en zag mijn vader staan

hij stak zijn arm door prikkeldraad

hij keek me smekend aan

mijn vader vroeg aan mij om brood.

Op die landweg moeder

hield je me minuten vast

Pas in 2004 probeert Campert in Over mijn vader alsnog de liefde te vinden die hem altijd onthouden is en neemt hij voorgoed afscheid.

Een lichte grap om over na te denken

Als Remco zich met zijn moeder na de oorlog in Amsterdam vestigt, blijkt hij ongeschikt voor onderwijs; hij maakt school niet af, maar stort zich in het leven rondom het Leidseplein. Hij wordt gegrepen door toneel, literatuur en vooral jazz; Campert wil op een vergelijkbare manier improviseren met taal. Begin jaren 50 trekt hij met vriend Rudy Kousbroek naar Parijs. In de roman Een liefde in Parijs uit 2004 kijkt hij er met weemoed op terug. Hij richt het literaire tijdschrift Braak op, dat verwijst naar braakliggend land en naar een breuk met de generatie-Menno ter Braak: vóór het experiment, tégen de heersende ideeën over schoonheid. Hij leert de dichters Lucebert, Hugo Claus, Simon Vinkenoog, Bert Schierbeek en Gerrit Kouwenaar kennen, en Cobraschilders als Karel Appel.

Het is de geboorte van de Vijftigers, een invloedrijke literaire beweging. ‘Meer dan een vriendenclub. Het was voor mij een soort familie, iets wat ik altijd heb gemist’, noemt de jongste Vijftiger Campert deze schrijversbent. Lucebert, die met de onvergetelijke dichtregel ‘schoonheid heeft haar gezicht verbrand’ reageert op de Tweede Wereldoorlog, is Camperts literaire held. Zijn eigen poëzie is eerder nuchter en ironisch; hij maakt liever een lichte grap dan een zwaar statement. Toch bieden zijn gedichten voor de lezer evenveel om over na te denken.

De oprichting in 1943 van verzetsuitgeverij De Bezige Bij en de eerste uitgave, een rijmprent over gevangenschap door Jan Campert, maken dat Remco Campert zijn uitgever altijd trouw blijft. Tot halverwege de jaren 90 blijft hij als auteur, redacteur, adviseur of bestuurder betrokken bij de schrijverscoöperatie en haalt vrienden Kees van Kooten en Jan Wolkers binnen. Vanaf de oprichting is hij nauw betrokken bij het befaamde poëziefestival Poetry International in Rotterdam. Ook vriend Cees Nooteboom, met wie hij op de begrafenis van Claus speculeert wie op wiens begrafenis zal speechen, blijft hij trouw.

‘Je herhaalt wat je had moeten vermijden’

In de jaren 50 publiceert De Bezige Bij Camperts enthousiast ontvangen verhalenbundels, de eerste van meer dan honderd boeken die hij zal schrijven. In de jaren voordat hij doorbreekt met zijn debuutroman Het leven is vurrukkulluk (1961) leeft hij met dichteres Fritzi Harmsen van Beek, die Remco grote hoeveelheden whisky leert drinken in het gekraakte kasteeltje Villa Jagtlust, een befaamde magneet voor kunstenaars en bohemiens. ‘Je stampte met je voet op de grond en het was feest’, de beginzin van een verhaal, zegt genoeg.

Begin jaren 60 trouwt hij voor de derde keer en krijgt twee dochters. Maar zijn beroemde dichtregels ‘Alles zoop en naaide / heel Europa was één groot matras’ blijken uit het leven gegrepen. In een film over Campert door John Albert Jansen en in de biografische schets Een knipperend ogenblik door Mirjam van Hengel vertelt zijn dochter Cleo over de krassen die het slordige liefdesleven van haar vader haar bezorgden – de parallel met hoe Jan Campert zijn zoon beschadigde is zichtbaar. Remco betuigt zijn spijt: ‘Je herhaalt wat je had moeten vermijden.’

Als in 1966 Camperts roman Het gangstermeisje verfilmd wordt, woont hij met zijn gezin in Antwerpen, maar als in 1968 Tjeempie!, of Liesje in Luiletterland verschijnt, is hij weer terug in Amsterdam en leeft met galeriehoudster Deborah Wolf, die tot zijn dood zijn vrouw blijft, hoewel ze ook jarenlang apart wonen en andere liefdes hebben. Tjeempie! is een sleutelroman, geschreven in een nieuwe spelling, over het naïeve schoolmeisje Liesje en haar ontmoetingen met schrijvers die alleen maar aan seks denken: Remko Kampurt, het Roofdier (Cremer), de Moeizame Ploeteraar in de Wijngaard des Heren (Reve) en de Best Gekapte Schrijver van Nederland (Mulisch).

Zonder drama of verdriet

Na een decennium waarin Campert aan depressie en writer’s block lijdt, met humor beschreven in de bundel columns Waar is Remco Campert?, ontvangt hij in 1979 de P.C.Hooftprijs voor zijn poëzie. Het juryrapport vindt dat zijn werk getuigt van de ‘levensaanvaarding van een ontwapenende pessimist, die van het bestaan houdt op de schuchtere manier van de eeuwig verliefde’. Campert kikkert ervan op en schrijft weer volop poëzie.

Door het Boekenweekgeschenk Somberman’s actie en zijn vele columns, onder andere op de voorpagina van De Volkskrant, wordt Remco Campert tussen 1990 en 2010 een publiekslieveling. Met Bart Chabot en Jan Mulder toert hij langs podia met een voorleesprogramma; de laatste tournee heet Tot zoens, naar een column van Campert. Nadat zijn gedichten verzameld worden in Dichter (1995) verschijnt nieuw werk, zoals Ode aan mijn jas, het ontroerende zangdicht ‘Lamento’ en Mijn dood en ik (2019). Het thema van zijn roman Gouden dagen uit 1990 is veelzeggend: hoe beschrijf je het leven van een gelukkig man die een leven zonder drama of verdriet leidt? Het wordt niet zijn grootste succes, misschien juist omdat zo’n leven weinig interessant lijkt. Maar het brengt ons wel dicht bij Camperts kern, te herkennen in deze regels die hij voor Deborah dichtte:

Als ik doodga

hoop ik dat je erbij bent

dat ik je aankijk

dat je mij aankijkt

dat ik je hand nog voelen kan.

Dan zal ik rustig doodgaan.

Dan hoeft niemand verdrietig te zijn.

Dan ben ik gelukkig.

Remco Campert is op 04 juli 2022 gestorven als een gelukkig man.

Je wil onze betalende artikels lezen maar nog geen abonnement nemen? Meld je aan en proef gratis van  plus-artikels.

Lees gratis ›

Geen betaalgegevens nodig