camera closecorrect Verwijs ds2 facebook nextprevshare twitter video

column

Oorlog op het fietspad

vrijdag 17 juni 2022 om 3.25 uur

‘Ik merk het zelf als ik op mijn racefiets langs het jaagpad rijd. Boze blikken als je belt. Boze blikken als je niet belt. Boze blikken als je veilig inhaalt.’ Joris Herregods

Wie veel fietst, of al eens een rondje langs een jaagpad sjeest, weet het al langer: het is druk op onze fietspaden.

Gent telde in mei een record­aantal spitsuurfietsers: een slordige 13.000, een onderschatting, aangezien niet overal telpalen staan opgesteld. Ook Brussel zag vorig jaar het aantal fietsers met een vijfde toenemen. Overal dikt het peloton fietsers snel en stevig aan.

Dat daar hommeles van zou ­komen, viel te voorspellen. Vorige week kwam een bejaarde fietser om het leven in een botsing met een groepje wielertoeristen. In Nederland raakte ex-minister Sander ­Dekker zwaargewond na een val met z’n racefiets tijdens een conflict met een wandelaar, een voorval dat heel wat commotie teweegbracht.

   • Buiten bebouwde kom brengt fietssuggestiestrook geen soelaas

De statistieken bevestigen het: de spanningen op de weg lopen op; niet alleen tussen fietsers en automobilisten, ook tussen fietsers onderling en tussen fietsers en voetgangers. ‘Ruimterivaliteit’, noemt mobiliteitsexpert Kris Peeters dat.

De openbare weg gebruiken en delen is geen picknick, maar een rugby­wedstrijd zonder scheidsrechter. En als het misloopt, moet in ­ieder geval iemand de schuld ­krijgen, zolang wij het zelf maar niet zijn.

We zouden ook kunnen erkennen dat de bestaande infrastructuur helemaal niet is aangepast aan zo’n groot en divers publiek. Omafietsen, elektrische fietsen, bakfietsen, elektrische steps, speedpedelecs, kuierfietsers en tempofietsers, gehaaste fietsers en fietsers met alle tijd van de wereld, ervaren fietsers en beginnelingen, recreatieve fietsers en functionele fietsers: met z’n allen moeten ze over die ene strook, die met veel geluk drie meter breed is, maar veel vaker weinig meer voorstelt dan een reepje ongeluk. Tussen al die strookjes lopen voetgangers blind te appen, rijden auto’s en vrachtwagens hun bestemming of een parkeerplaats te zoeken.

Geen beter recept voor frustratie dan falende publieke ruimte die ­hopeloos achterophinkt en al die ­diverse weggebruikers niet verwerkt krijgt.

Te midden van die chaos blijkt het standpunt van een andere weggebruiker doorgaans lastig te vinden. Liever vervallen we in onnozele termen als ‘rotfietsers’, ‘wielerterroristen’ en ‘bakfietsterreur’. Liever ­bedienen we ons van anekdotes die onze vooroordelen moeten bevestigen.

Altijd is het de ander die zich ­onverantwoord gedraagt, die in de weg rijdt, die in de fout gaat.

Wat haast iedereen lijkt te vergeten is dat niemand permanent en consequent tot één groep weggebruikers behoort. Vandaag ben ik een ­gewone fietser, morgen een elektrische cargofietser en overmorgen een wielertoerist. Straks ga ik te voet en overmorgen rijd ik met de auto. Dat wisselende perspectief maakt het wat makkelijker om me te verplaatsen in andere weggebruikers. Ik ­begrijp ieders frustratie en feilbaar zijn we allemaal.

Want geregeld gaat het bijna mis. Tijdens mijn reguliere fietsrit naar het station ga ik gemiddeld drie keer in de remmen voor een openslaande autodeur, moet ik een keer of vijf de autoweg op omdat er een auto op het fietspad staat en loopt er een keer of zeven een onoplettende voetganger voor m’n wiel. Meestal omdat er ­iemand niet oplet, nadenkt of met een smartphone bezig is. Heel soms omdat er nu eenmaal asociale hufters bestaan. Die laatste categorie laat zich vertegenwoordigen in elke groep. Mensen worden geen hufters als ze in een auto, op een racefiets of een elektrische bakfiets stappen, maar ook hufters fietsen en rijden met de auto.

Het maakt niet uit hoe voor­komend en defensief ik fiets. Boos zijn de mensen altijd

Fietsorganisaties melden dat geweld ­tegen fietsers steeds vaker voorkomt. ‘Een goede fietser is een dode fietser’, posten mensen ongegeneerd op een Facebook­pagina met 16.000 ­leden. In de duinen bij Zandvoort spande iemand een touw op nekhoogte over een duinpad. Dat verzin ik niet.

Ik merk het zelf wanneer ik op mijn racefiets langs het jaagpad rijd. Boze blikken als je belt. Boze blikken als je niet belt. Boze blikken als je veilig inhaalt. Die keer toen een ­mevrouw op leeftijd me opzettelijk van de weg duwde op haar elektrische fiets. Die keer toen een loslopende hond pardoes voor m’n wiel rende en ik maar net op tijd kon remmen, maar toch de volle lading kreeg: ‘Stom kutwijf! Denk je dat je Wout van Aert bent misschien?’ (Ik reed 27 per uur, een snelheid waarmee Wout mij lachend inhaalt op een houten loopfietsje).

Het maakt niet uit hoe voor­komend en defensief ik fiets. Boos zijn de mensen. Boos omdat je ­ergens bent, omdat je gebruikmaakt van de publieke ruimte op een andere manier of in een ander tempo dan de eigenaar van de boze blik.

Waar beperkte ruimte moet worden gedeeld met anderen voelt dat als een bedreiging. Meer ruimte voor een ander is minder ruimte voor ­jezelf. En het was al zo krap. Soms lijkt het verkeer verdacht veel op het maatschappelijk debat: zodra een lang genegeerde groep meer ruimte krijgt, groeien de weerstand en de agressie.

Frustratie is legitiem, maar ­misschien moeten we ze wat slimmer kanaliseren: door te ijveren voor meer fiets- en wandelruimte in plaats van elkaar naar het leven te staan.

Bieke Purnelle is freelanceschrijver en directeur van Rosa, kenniscentrum voor gender en feminisme. Haar column verschijnt tweewekelijks op maandag.

Niet te missen


LEES OOK

De podcasts van De Standaard

Niet te missen