camera closecorrect Verwijs ds2 facebook nextprevshare twitter video

interview Esohe Weyden

‘Ik ben nooit boos. Dat is toch niet oké?’

Dichter, advocaat en sociale duizendpoot. Dat visitekaartje hoopt Esohe – ‘geschenk van God’ – Weyden ooit te kunnen laten drukken. Dichter is ze al, blijkt uit haar debuut Tussentaal.

zaterdag 19 februari 2022 om 3.25 uur

 

Esohe Weyden (22) is spokenworddichter en presentator. Ze is de campusdichter van Universiteit Antwerpen, waar ze rechten studeert. Ze is ook stadsreporter van ATV. De bundel Tussentaal is haar debuut.

Eddy Van Vliet, de innemende dichter-advocaat, die de poëzie als wezenlijk onderdeel van het leven zag en geen kans onbenut liet haar vleugels te geven, lijkt wel wedergeboren. Geheel geüpdatet naar het jaar 2022, want zijn reïncarnatie is een tweeëntwintigjarige zij, een slam poet, een dubbelbloed. Bleven behouden: de intelligentie en de charme, de grote liefde voor burgerlijk recht, taal en poëzie. Esohe Weyden is niet alleen een veelgevraagde spokenworddichteres, ze is ook de campusdichter van de Universiteit Antwerpen, waar ze rechten studeert, stadsreporter voor ATV en presentatrice van literaire evenementen. Ze tekent, schildert en ze is model. Het past allemaal niet op één visitekaartje.

Sinds zij op 21 juli 2021 het burgerlijk defilé met een gedicht opende, wordt ze nogal weinig origineel de Vlaamse Amanda Gorman genoemd. Wat ze niet is. Esohe Weyden is een dichteres met een eigen poëtica en een eigen verhaal, zo blijkt uit haar net verschenen debuutbundel Tussentaal, 43 gedichten die lezen als een performance. Tussentaal is een zelfportret: ziehier de bouwstenen, de kleuren, de twijfels, de dromen, de hersenkronkels, de taal en de muziek waaruit ik ben opgetrokken. Wanneer ik haar spreek thuis in Deurne, aan de keukentafel in haar ouderlijke huis, probeer ik deze praatvaar bij te houden, mee rond de aarde te cirkelen ‘als de maan in een Weense wals met haar gedachten’.

Haar examens zitten erop. Het liep naar wens, al moet ze de volgende keer meer ‘acclimatiseringsdagen’ incalculeren, zegt ze. ‘Naarmate ik meer met poëzie bezig ben, heb ik meer aanlooptijd nodig om in examenmodus te geraken.’ Toch blijft haar doel ongewijzigd: advocaat worden. Minstens, want nu ze bijna op dat punt is, overweegt ze om er nog een master notariaat achteraan te gooien. Weyden is niet gemaakt voor de middelmaat. Ze is veel, ze houdt van veel en ze wil veel. Je zou denken dat er hoogspanning staat op het tegelijkertijd willen doorgronden van de droge regels van het wetboek en het vrijuit spelen op de speelplaats van de poëzie, maar Weyden vindt het ‘verfrissend’.

Is poëzie de plek waar u aan het saaie wetboek kunt ontsnappen?

‘Saai? In het middelbaar – ik volgde Latijn-Wetenschappen – was wiskunde een van mijn favoriete vakken. Je hebt een regel, vormt die indien nodig om, past die toe en uiteindelijk heb je een uitkomst. Ik vind dat gepuzzel binnen een vast kader leuk en vond dat terug in het Romeins recht, waartoe we in een inleiding kregen. Soms kun je slaafs de regel toepassen, soms laat de regel ruimte voor interpretatie en moet je gaan kijken wat de rechtsleer en rechtspraak voorschrijft. Zo prettig als ik het vind om binnen een vast juridisch kader te moeten denken, zo bevrijdend ook vind ik het om in de poëzie alle teugels los te laten. Ik voel me niet aangetrokken tot sonnetten, maar door spoken word, waar geen regels bestaan. In de bundel vind je geen hoofdletters, geen interpunctie, geen metrum. Strofen ondersteunen slechts de performance. Waar een witregel staat, neem ik een adempauze.’

Houdt slam op papier dan niet op slam te zijn?

‘Elke tekst die op een podium tot leven wordt gebracht begint natuurlijk op papier. In dat opzicht zijn de gedichten in Tussentaal voor mij in wezen spokenwordteksten, maar zonder het performance-element is het geen slam. Het verschil tussen klassieke poëzie en slam zit hem in de extra laag die je legt op het moment dat je voordraagt. Dankzij een arsenaal aan middelen – tempo, intonatie, expressie, lichaamshouding – kan ik de tekst verder kneden, meer informatie vrijgeven en controle houden. Zodra je een ander je gedicht laat lezen, gaat die ermee aan de haal. Dat maakt de sprong van het podium naar het papier doodeng. Normaal gezien krijg ik meteen reactie van het publiek en weet ik instant of het gedicht aanslaat of niet, nu had ik enkel een redacteur als klankbord. Een steengoede, dat wel, maar het blijft toch bang afwachten hoe het publiek zal reageren.’

U noemt tussentaal uw ‘compagnon’. Zit taal u in het bloed?

 Sebastian Steveniers

‘Mijn mama beweert dat ik in de baarmoeder al aan het babbelen was. Mijn ouders hebben ons vooral veel willen meegeven. Wij zijn het type kinderen dat op maandag naar de dansles ging, op dinsdag naar de turnles en op woensdag naar de tekenacademie en bij wie voortdurend op een verzorgd taalgebruik werd gehamerd. Toen op een gegeven moment op school straattaal in zwang geraakte, zei mijn vader: “Niet in dit huis, want dan geraakt het verweven in je taal.” En ik heb mijn mama altijd zien lezen, wat doet lezen. Taal is een ongelooflijk krachtig middel. Taal kan relaties smeden, verwoesten en helen. De manier waarop je iets verwoordt, bepaalt hoe je overkomt bij een ander. Als advocaat moet je zeer verstandig omgaan met je woordkeuze, want je krijgt maar een bepaalde tijd toegemeten om je zaak te pleiten. Idem dito bij spoken word: ik krijg een kwartier het podium. Wat ik zeg en hoe ik het zeg, bepaalt met welke gedachten en gevoelens de toehoorders naar huis gaan.’

Waarom houdt u van het Nederlands?

‘Anders dan in het Engels heeft het Nederlands veel meerlettergrepige woorden, wat op een podium al een vorm van rijmen is. Als je regels ongeveer evenveel lettergrepen hebben, hoef je niet per se eindrijm te gebruiken om ritme aan je tekst te geven. Aangezien het Nederlands een brede waaier aan woorden heeft, die semantisch net ietsje anders zijn, kun je minutieus uitkiezen wat je precies bedoelt. Het Nederlands is geen winkel waar ze enkel blauw, geel en rood hebben. Het is een speciaalzaak waar je met kleurenkaartjes kunt werken. En het is mijn moedertaal, de taal waarin ik denk en voel. Binnen mijn generatie en zeker binnen de uit Amerika overgewaaide spokenwordscene, wordt vaak naar het Engels gegrepen. Het Nederlands klinkt niet mooi, zeggen ze, maar daar ben ik het grondig mee oneens.’

Het is druk in uw hoofd. Helpt poëzie om het driftige ‘getouwtrek van bedenksels’ te beslechten?

‘Als kind was ik al het denkertje in de klas en dat ben ik nog steeds. Ik ben zelfs een beetje een overthinker. In elke potentiële situatie bedenk ik welke routes welke uitkomst bieden, terwijl het leven onvoorspelbaar is. In het middelbaar had ik mijn toekomst al helemaal uitgetekend. Ik zou de wetenschappelijke richting uitgaan. Ik schreef af en toe poëzie, maar geen haar op mijn hoofd dat eraan dacht daar iets mee te doen. Tot ik op een doordeweekse schooldag om 8.20 uur slamdichter Yannick Moyson in de klas aantrof. Die workshop, buiten mij om geregeld, heeft mijn leven omgegooid. Dus misschien maak ik morgen om 8.20 uur wel opnieuw kennis met iets totaal nieuws. Ondanks dat getouwtrek in mijn hoofd voel ik me rustig, omdat ik alles wat me dwarszit meteen uitspreek en neerschrijf. Vanaf het moment dat je iets benoemt, behoort het tot de realiteit. Zo wordt wat onlogisch is weer logisch. Zinnen geven zinloosheid betekenis.’

‘ik draag mijn hart hoog / en laat het smelten op mijn lippen’, schrijft u. De bundel bulkt van het verlangen naar vuur, woede en opgewarmde wangen.

‘Ja! Wanneer we onze gevoelens uiten, denken we vaak bewust na over hoe we het verwoorden. Als ik begin te schrijven, probeer ik zo vrij en naturel mogelijk mijn gevoelens uit te storten en er pas daarna aan te sleutelen. Soms probeer ik net zo ongefilterd te spreken. Ik mis bij mezelf en anderen wel eens oprechte gevoelens. Het is alsof we binnen een sociaal aanvaardbaar kader moeten voelen. Neem nu zo’n dag waarop alles wat kan mislopen misloopt en dan kom je de aula binnen en heb je zin om te schreeuwen, maar daar wordt van je verwacht dat je rustig vier uur college uitzit. Dan ga je naar huis, waar het ook niet wordt getolereerd dat je alles bij elkaar tiert. Maar ik denk dat we erbij gebaat zouden zijn, mochten we af en toe gehoor mogen geven aan onze onderbuik. Ik ben nooit eens gloeiend boos en ik maak nooit ruzie. Ik lijst meteen alle pro’s en contra’s op en kijk rationeel hoe ik dat het best kan aanpakken. Dat is toch niet oké?’

‘Binnen mijn generatie en zeker binnen de spokenwordscene, wordt vaak naar het Engels gegrepen. Het Nederlands klinkt niet mooi, zeggen ze, maar daar ben ik het grondig mee oneens’
En dus creëert u beelden om uzelf ‘open te scheuren en te helen’?

‘In veel van mijn gedichten zit een helingstraject. Ik wil graag mensen in hun totaliteit omarmen, inclusief hun onderhuidse wonden. Die maken ons wie we zijn. Ik wil advocaat worden, omdat ik van mensen houd. Kleuterjuffen houden ook van alle kleutertjes, inclusief de stoute. We hebben, denk ik, grote nood aan het gevoel dat we niet alleen zijn, dat anderen iets gelijkaardigs hebben doorstaan. Daarom ben ik een vaandeldrager van de poëzie. Ik geloof in haar helende kracht en dat zij net als muziek iets zou kunnen zijn voor iedereen, los van je beroep, je karakter, je leeftijd, je afkomst. Veel mensen zien poëzie als iets elitairs, voor een specifieke niche of type mensen. Dat hoop ik te veranderen en daarom breng ik poëzie op zo veel mogelijk podia: van het Festival van de gelijkheid tot de Vlaamse Feestdag. Op dat laatste heb ik gek genoeg veel commentaar gekregen. Maar waarom zou ik daar geen gedicht kunnen brengen over taal en de rijkdom van onze dialecten?’

Sinds die dag wordt u de Vlaamse Amanda Gorman genoemd, terwijl Tussentaal welgeteld één activistisch gedicht telt. Het moet uw huid en uw schoonheid zijn. Zijn die een troef?

‘Ik heb niks tegen activisme in de poëzie. Zij kan een thuishaven zijn voor allerlei opvattingen en gevoelens, maar het is niet mijn poëzie. Er zijn nog andere plekken dan de barricade om het onrecht in onze samenleving tegen te gaan. En ja, ik ga niet ontkennen dat er goed uitzien het leven vergemakkelijkt. Het is vandaag helaas nog altijd zo dat als je afwijkt van de norm en je bijvoorbeeld wat voller bent, je daar op wordt afgerekend. Veel mensen zijn fat-fobisch. Ik vind het belangrijk om dat te benoemen en stop mezelf niet weg. Ik schuw geen fotoshoots en selfies. Bij spoken word is het normaal dat je jezelf afficheert. Mensen komen om jou te zien. Maar je moet uiteindelijk wel iets kunnen neerzetten, hé. Je kunt geen president worden alleen maar op basis van je schoonheid.’

Ambitie?

(lacht) ‘Het is niet zo dat ik mijn weg naar de top heb uitgestippeld, maar als er zich op mijn pad kansen voordoen, grijp ik ze wel. Ik beantwoord in geen geval aan het beeld van de doorsnee student die overdag studeert en ’s avonds op café gaat. Ik ben een workaholic. Als ik 24 uur heb, probeer ik die zo goed mogelijk te benutten – het woord alleen al. Een uurtje vrij moet meteen worden omgezet in een activiteit. Ik heb van kleins af veel gecombineerd, omdat ik veel leuk vind. Ik doe ook niks wat ik niet graag doe en als ik toch in iets minder leuks verzeild geraak, rond ik dat zo snel mogelijk mooi af. Vroeger vulde ik zelfs mijn vrije tijd meteen in door af te spreken met vriendinnen, nu oefen ik me in het nietsdoen. Ik probeer letterlijk voor me uit staren en een passieve rol in te nemen. Ik zal wel nooit uit mijn buik kunnen ademen, zoals ik schrijf, maar het is goed om daarnaar te verlangen.’

 

Gisteren luisterde u nog naar K3, nu bent u al met uw nalatenschap bezig. Groeit u te snel?

‘Ik was een grote K3-fan! Maar je hebt gelijk. Ik ben een zestigjarige in het lichaam van een tweeëntwintigjarige. Dat heeft, denk ik, te maken met dat super actieve leven. Het is alsof ik al drie levens heb geleefd. Tijdens het schrijven heb ik me afgevraagd waarom ik doe wat ik doe en wat de rode draad is tussen alles wat ik fijn vind. Zo kwam ik erop dat kunstenaars iets creëren om het daarna aan anderen na te laten. Zodra iets af is, is het niet meer van jou. Ook in families wordt van alles doorgegeven, van generatie op generatie: schilderijen, gedichten, verhalen en anekdotes die niet helemaal kloppen. We dragen onze voorouders in ons en geven die op onze beurt door, zij het met kleine aanpassingen. Want elke generatie wil het toch net iets anders aanpakken met zijn kinderen. Dat vind ik prachtig: naast al wat onveranderlijk doorgaat, behoud je de macht om je eigen verhaal te maken.’

U bent een dubbelbloed: ‘het kruispunt van twee bloedlijnen.’ Gelooft u in een wereld zonder raciale hiërarchie?

‘Zeker, maar ik denk niet dat ik die wereld ga meemaken. Mensen zien me eigenlijk nooit als dubbelbloed. In witte kringen word ik als zwart aanzien en in zwarte kringen ben ik “onze witte”. Maar ik heb een zwarte mama (uit Nigeria, red.) en een witte papa en gelijk qua huidskleur op geen van beiden. Ik ben een aparte categorie. Toch zie ik de vooroordelen wel afbrokkelen, hoor. Op de universiteit hebben verschillende medestudenten hun mening herzien nadat ze me hebben leren kennen. Wat wil je, als je buiten de stad bent opgegroeid en nooit het tegendeel van je opvattingen bewezen hebt gezien? Ook gebeurt het dat ik net alles heb gegeven op het podium en men mij daarna vraagt naar… mijn haarroutine. Dat heeft altijd een beetje een bittere nasmaak. Voor mij is huidskleur maar een van de vele bouwstenen van identiteit. Als mensen me vragen waar ik vandaan kom, zeg ik Antwerpen. Ik ben van ’t Stad. Als je een Antwerpenaar moet beschrijven, dan doe je dat zoals je een New Yorker zou beschrijven. Via de typische tongval, eetgewoonten en kledingstijl.’

‘Op mijn zestiende heb ik de hele Bijbel gelezen. Elke avond voor het slapengaan een stukje, tot ik hem uit had. Na afloop was ik super trots, maar een antwoord op mijn vragen had ik niet’
Als u op een ochtend tegen God zou aan botsen, schrijft u, zou u haar vragen of ze genderneutraal kan zijn. Hebt u God gezocht en gevonden?

‘Toen mijn mama over God vertelde, herinner ik me dat ik haar meteen vroeg waarom God een man is. In dat gedicht associeer ik vrij wie God zou kunnen zijn zodat die het verlengde is van wie zoekt. Ik vind godsdienst en spiritualiteit een interessant maar lastig onderwerp. Ik ben er nog niet uit. Op dit moment zoek ik minder dan toen ik pakweg zestien was. Toen heb ik de hele Bijbel gelezen. Elke avond voor het slapengaan een stukje, tot ik hem uit had. Na afloop was ik super trots, maar antwoord op mijn vragen had ik niet. Ik had nog meer vragen, wat weer aanzet tot nadenken.’

Strekken uw ouders ‘die gigantische olifanten in de ogen durfden te kijken’, u tot voorbeeld?

‘Ja! Ik heb van mijn ouders geleerd om meningsverschillen nooit te laten escaleren. Hier aan tafel wordt veel gebabbeld, ook over lastige onderwerpen. Alles wat op hun schouders drukt of op die van mij, mijn jongere broer of zus, komt ter sprake. Men denkt altijd dat de culturele achtergrond de splijtzwam is in een gemengde relatie, maar ik heb gezien dat niet de plek waar je geboren bent maar ideologie bepaalt hoe je wil leven. Als mijn ouders over iets discussiëren dan is het over religie. Mijn mama is zeer christelijk, mijn vader is atheïst. Soms kan het hier twintig minuten flink stormen – “God bestaat!” “Nee, God bestaat niet!” – maar aan het eind zijn ze het erover eens dat ze het erover oneens zijn. Dat doen ze al 26 jaar. Je kunt het niet met iedereen op de wereld altijd eens zijn. Onze kracht bestaat erin om in weerwil van de verschillen samen verder te gaan. Waar zijn we het wél over eens? In tijden waarin alles gepolariseerd is hoop ik dat meer mensen dat vaker kunnen zeggen: ik ben het niet met je eens, maar kom, we gaan koffiedrinken.’

Hebt u zelf talent voor de liefde?

‘Ik hoop het. Zo’n succesvolle relatie als mijn ouders is het doel. Ik zit aan vier jaar met mijn vriend. Het is een begin. Ik vind veel rust in zo’n vaste partner, die me goed kent. Als je van relatie naar relatie hopt, ken je elkaar enkel aan de oppervlakte. Ik ben zelf zeer constructief en heb echt die ingesteldheid dat je moet werken aan een relatie. Maar goed, je bent met twee. We zullen wel zien.’

Tussentaal is verschenen bij Vrijdag

De podcasts van De Standaard