Van de allereerste tot de allerlaatste: Dewulfs column werd een genre an sich
Summer in the city, 1950. Een werk van een van Dewulfs geliefde schilders, Edward Hopper. Ons leven tijdens de coronacrisis leek op dit werk, vond hij.   Foto:  Bridgeman Images

Bij het afscheid van schrijver, dichter en columnist Bernard Dewulf maakten we deze eerste, ongetwijfeld onvolledige bloemlezing van zijn werk voor deze krant.

Op 27 augustus 2011 verscheen het eerste Weekblad van De Standaard, en Bernard Dewulf was er van bij die geboorte bij. Eenenvijftig was hij toen en in zijn eerste ‘Si & la’, zoals zijn column werd gedoopt, schreef hij hoe hij nooit iets anders had willen worden dan directeur. ‘Niet van een bedrijf, een school of de post of zo. Gewoon van mijn bureau. Directeur van mijn bureau.’ Tien jaar lang mailde hij zo, van achter dat bureau, zijn teksten. Zijn column ging gaandeweg titelloos door het leven, die was een genre an sich geworden; sinds 2015 schreef hij in een tweede rubriek, ‘Reflector’, in het bijzonder over kunst en hoe te kijken. En af en toe, sporadisch, vroeg hij meer lijnen en weidde hij in een essay langer over een gedachte uit.

Een greep uit zijn werk voor deze krant.

1. De allereerste column* in het Weekblad, over de schoonheid van schoolgerief, en hoe ook dat een metafoor voor het leven is. ‘En met een potlood hertekenen we de geschonden schepping.’

2. Dewulf schreef vaak over kinderen en ouders en wat zich tussen hen afspeelt. Over de zoon die hij altijd zou zijn en de vader die hij was geworden. In deze column* stelde hij vast dat zijn eigen zoon te groot geworden was voor zijn woorden.

En vorig jaar voerde hij in zijn dromen dit gesprek met zijn moeder.

4. De eerste ‘Reflector’, niet toevallig over het altijd terugkerende beeld van een badende vrouw, schoonheid, ouderdom en de weemoed van begeerte.

5. Was zijn woede doorgaans ‘prachtig verdicht’, zoals collega Filip Rogiers het schrijft, af en toe was Dewulf gewoon boos, en genadeloos. Zoals in zijn geschiedenisles aan Gwendolyn Rutten of zijn column over het onderwijs en de lat die almaar hoger moet.

6. Een geliefde schilder van Bernard Dewulf was Hopper. ‘Het werk van Edward Hopper houdt me al een tijd bezig, ik leef ermee’, schreef hij in maart in een essay over het werk van de schilder (maar over veel meer dan dat alleen). Ons leven leek al een jaar op een schilderij van Hopper, vond hij. ‘In zijn werk raakt zo goed als niemand iemand anders aan. Maar dat betekent niet dat er niets iets anders aanraakt.’

En in het Weekblad van 13 november vergeleek hij een foto van Fred Debrock met het werk ‘Night windows’ (1928). ‘Zowel de fotograaf als de schilder betrapt het dagelijkse’, schreef hij, en dat vond hij prachtig en noodzakelijk, want ‘het dagelijkse ontsnapt ons al meer dan genoeg’.

7. In december vorig jaar, bijna precies een jaar geleden, schreef Dewulf over de vraag die hij alleen kon stellen ‘nu ik nog adem. Daarna is ze de facto irrelevant, ­althans voor mij.’ Hoe lang na zijn laatste adem zou hij nog als het ware ademen onder de nog ademenden? Een ‘levende herinnering’ zijn onder de levenden?’ Een essay over verdwijnen.

8. De laatste column. Ooit zou het met de benen die niet meer mee wilden, wel weer goed komen, schreef hij. ‘Dan been ik naar de maan.’

*Deze columns werden toen nog niet opgenomen in het digitaal archief. U kunt wel bladeren door het DS Weekblad van toen. Onze excuses daarvoor.

U wil onze betalende artikels lezen maar nog geen abonnement nemen? Meld u aan en proef gratis van  plus-artikels.

Lees gratis ›

Geen betaalgegevens nodig