‘Spaarboekje even risicovol als Arco-aandelen’
Het gaat om een collectieve procedure, waarachter 2.172 natuurlijke personen zitten met elk een aparte aandelenpositie. Foto: belga

De advocaten van Arco stellen op de tweede dag van het proces dat wie een spaarboekje had evenveel risico had als wie aandelen (Arco) kocht. ‘Destijds was er immers geen spaargarantie.’

Het is een opvallende uitspraak van advocaat Koen De Maeyer, die samen met Peter Siebens de Arco-vennootschappen in vereffening verdedigt in de door Deminor aangespannen procedure. In die procedure vragen 2.172 coöperanten hun geld terug. Die procedure is complex, omdat het om een collectieve procedure gaat waarachter 2.172 natuurlijke personen zitten, met elk een aparte aandelenpositie.

Ze kochten op verschillende momenten en zijn niet noodzakelijk coöperant in de drie vennootschappen (Arcopar, Arcofin, Arcoplus). De advocaten willen dat elke coöperant in detail bekendmaakt wanneer hij welke aandelen kocht en hoe daarbij telkens sprake van bedrog of dwaling kan zijn. Het is een argument dat ook Belfius volgende week in zijn pleidooi zal opwerpen: het dossier moet per coöperant gewikt en gewogen worden. De huidige procedure is immers geen class action (massaschade) omdat de feiten dateren van voor die wetgeving.

‘Altijd correct geïnformeerd’

Andere argumenten van de advocaten van Arco klonken al wat vreemder in de oren. Bijvoorbeeld de stelling dat ‘veilig’, wanneer gezegd in 1995, niet noodzakelijk hetzelfde betekent als wanneer het gezegd is in 2020. Koen De Maeyer merkte ook op dat wie destijds spaargeld op een spaarboekje zette evenveel risico liep om zijn inleg kwijt te spelen als wie aandelen kocht. Hij baseert voor zich uitspraak op de wetenschap dat de spaargarantie maar later tot stand kwam en aanvankelijk beperkt was tot 20.000 euro (tegenwoordig is dat 100.000 euro per persoon).

De Maeyer gaat daarbij voorbij aan het feit dat als een vennootschap in de problemen komt, de aandeelhouders als eerste hun geld kwijt zijn. Vervolgens zijn de achtergestelde schuldeisers aan de beurt. Die rangorde is ook belangrijk als een instelling failliet gaat en de curator nog bepaalde onderdelen te gelde kan maken. De opbrengst gaat eerst naar de bevoorrechte schuldeisers.

De Maeyer en Siebens wezen er ook op dat er heel wat verschillen zijn tussen de aandelen die de verschillende Arco-vennootschappen uitgaven. Op bepaalde types van aandelen kon men al sinds begin jaren negentig niet meer intekenen. De Maeyer hield ook vol dat alle coöperanten altijd op de risico’s van hun belegging werden gewezen. Ook voordat ze intekenden. Iets wat tot verontwaardiging leidde bij een in de zaal aanwezige coöperant.

‘Royale dividenden’

De Maeyer wees ook op de royale dividenden die de coöperanten kregen. Zeker Arcofin keerde hoge dividenden uit, maar de meeste coöperanten hadden effecten van Arcopar. En Arcopar heeft nooit dividenden in geld uitbetaald. Arcopar potte de dividenden op en zette die om in bijkomende aandelen. Enkel coöperanten die hun aandelen verkochten kregen dus geld uitgekeerd.

De advocaten van Arco wezen er daarnaast op dat de ondernemingsrechtbank geen rechtsmacht heeft wat betreft Arcofin en Arcoplus. Daar zou in het reglement staan dat betwistingen geregeld moeten worden via een arbitrageprocedure. Arco zegt ook dat de eerste dagvaarding van Deminor uit 2014 nietig is. Dit omdat er enkele Franstalige zinnen in staan die niet vertaald werden. Deminor heeft dat in 2020 proberen te verhelpen door een nieuwe dagvaarding uit te brengen.

‘Verjaard’

Arco hield daarbij voor dat de vorderingen van de alle coöperanten verjaard zijn. Dit omdat de aankoop van de effecten te beschouwen zijn als een contractuele relatie. De coöperanten vragen de nietigheid van het contract omwille van wilsgebrek (bedrog of dwang). Volgens Arco is er na 10 jaar van ondertekening van het aankoopcontract sprake van verjaring. Zodra men dagvaardt, wordt die verjaring gestuit.

Daar bestaan uitzonderingen op. Deminor zegt dat de start van de verjaring het moment is dat de dwaling of het bedrog ontdekt wordt. Dat gaat hier niet op, meent Siebens. ‘Als je een Rubens kocht in 1950 en met nieuwe technologieën kan je pas later voor het eerst zien dat het bedrog betreft, dan kan je dat wel inroepen. Hier moet elke coöperant aantonen dat hij toen hij de aandelen kocht persoonlijk bedrogen werd of gedwaald heeft. Dit individuele bewijs wordt nergens geleverd.’

Volgens Siebens moet men ook aantonen dat het bedrog Arco aangewreven kan worden. ‘Arco zelf heeft nooit aandelen verkocht, dat gebeurde via de loketten van onder meer Bacob.’

Deminor zegt dat de dwaling en het bedrog pas werden ontdekt toen de vennootschappen van Arco in vereffening gingen. Deminor riep echter naderhand ook extra-contractuele aansprakelijkheid in, omdat er sprake geweest zou zijn van een voortdurende misleiding. Volgens Siebens zijn ook daar problemen mee. ‘Je moet je vordering tijdig instellen. En dit gebeurde hier pas in september 2016.’ ‘Wat gebeurde tussen 8 december 2011 (het moment dat men het bedrog ontdekte) en september 2016? De vorderingen zijn wat ons betreft verjaard.’

Lang wachten op compensatie

Als uitsmijter zeiden de advocaten dat zelfs als de rechtbank hen zou veroordelen tot uitbetaling van een vergoeding aan de coöperanten, die nog lang zullen moeten wachten. ‘De schuldvordering komt dan gewoon in de vereffening en gaat verder zijn beloop.’ Met andere woorden: pas na een definitieve veroordeling zouden coöperanten geld zien. In de Arco-pot zit nog maar weinig geld. De Arco-advocaten wezen er ook op dat ze zelf van elke procederende coöperant vanuit elke Arco-vennootschap een rechtsplegingsvergoeding vragen. Het wordt dus hard tegen hard gespeeld.

Straks moet Deminor zich verdedigen. De organisatie wordt verweten in 2001 nog coöperanten te hebben geadviseerd en bij de Dexia-fusie nooit te hebben gewaarschuwd dat het slecht kon aflopen. ‘Jullie hebben zelf de coöperanten misleid’, heette het.