‘Ik weet perfect wat ik kan en niet kan’
Foto: Brecht Van Maele

Pieter Aspe zette, samen met Jef Geeraerts, de misdaadroman op de kaart in Vlaanderen. Hij bleef bescheiden ondanks het aanhoudende succes en hij kon zijn talent perfect inschatten.

Het is bekend hoe Pieter Aspe (pseudoniem van Pierre Aspeslag) op zijn 42ste begon met schrijven. Hij was jong vader geworden, had diverse baantjes gehad en werd uiteindelijk conciërge in de Heilig Bloedkapel in Brugge. Daar had hij tijd te over om te schrijven. Hij hield van misdaad­romans en wilde proberen of hij een soortgelijk verhaal op papier kon krijgen. Zijn eersteling, Het vierkant van de wraak (1995), werd tot zijn verbazing gepubliceerd, kreeg goede recensies en beleefde een aantal herdrukken. Meteen vroeg de uitgever of er geen tweede boek in de pijplijn zat. Zelf had Aspe daar geen seconde over nagedacht. Toch werd hij de auteur van een lange reeks gesmaakte bestsellers.

Aspe was er terecht trots op dat hij van zijn pen kon leven, iets wat in Vlaanderen voor een schrijver niet evident is. Hij gaf grif toe dat hij, om de winkel draaiende te houden, twee boeken per jaar moest publiceren, wat hij vanaf 2000 jarenlang deed. ‘En dat zonder één frank subsidies. Ik zorg voor mijn eigen inkomen’, zei hij in het interview dat ik met hem in 2010 had.

Aan dat gesprek was een gênante ontmoeting voorafgegaan. Toen ik hem eens in de marge van de Boekenbeurs tegen het lijf liep, had hij mij een hand gegeven met de woorden: ‘Kijk, hier is de grootste klootzak van West-Europa.’ Dat kwam omdat ik me kritisch uitgelaten had over zijn werk. Toen ik voorstelde om een gesprek te hebben van recensent tot schrijver, ging hij onmiddellijk akkoord. Het werd een open en verrassend prettig gesprek waarin hij een aantal van mijn bemerkingen pareerde. Zo had ik ooit geschreven dat zijn verhalen vaak veeleer ingewikkeld dan spannend waren. Daarop las hij voor uit een recensie, waarin ik het verhaal in één regel had samengevat. ‘Zo moeilijk zijn mijn plots dan toch niet’, zei Aspe met een monkellachje. Dat was raak. Toch gaf hij ook ruiterlijk toe dat hij zich de kritiek had aangetrokken en dat hij de verhaallijnen van zijn latere ­boeken minder overladen had.

Literatuur?

Pieter Aspe heeft altijd goed geweten wat hij wel en niet kon. Hij schreef niet voor de eeuwigheid of om een groot literator gevonden te worden. ‘Mijn boeken zijn entertainment en daar is niks mis mee.’ Preken was aan hem niet besteed. Nooit wilde hij grote verklaringen afleggen over de stand van de wereld of afgeven op de politiek, het grootkapitaal of wie er ook aan de touwtjes trok. Dat wilde niet zeggen dat hij zijn ogen sloot voor wat er in de maatschappij fout kon lopen. Hij had een kritische blik en schreef over corruptie, vriendjespolitiek, gesjoemel in de achterkamers van de macht, terrorisme en andere onfrisse uitwassen van de westerse samenleving. Maar Aspe begreep goed dat het spannende verhaal en wat de personages beleven op de eerste plaats moest komen.

Toen ik hem vroeg of hij literatuur schreef, wuifde hij die vraag weg. Dat vond hij artificieel. ‘Kijk naar de Angelsaksische literatuur, daar wordt dat onderscheid tussen de genres veel minder gemaakt.’

Aspe had een grote werkethiek. Een nieuw boek begon hij altijd op een maandag. Hij geloofde niet in de goddelijke inspiratie. Zijn motto was: ga zitten en begin. Elke dag werkte hij een aantal uur tot hij vier bladzijden geschreven had. Na een paar maanden lag er dan alweer een nieuw boek dat hij nog weleens herlas, maar waaraan hij niet eindeloos bleef schaven.

Dat hij als misdaadromans verpakte soaps schreef, vond hij een compliment. Hij was er trots op dat hij de evolutie van zijn hoofdpersonages, commissaris Pieter Van In en magistraat Hannelore Martens, op een genuanceerde manier had beschreven. ‘Ik wil zelf ook ontdekken wat er met mijn hoofdpersonages gebeurt.’

In 2001 kreeg hij de Hercule Poirotprijs, voor de beste Vlaamse misdaadroman van het jaar, en vanaf 2004 zond VTM jarenlang de reeks Aspe uit, gebaseerd op zijn boeken en personages. Die televisiebekendheid deed de verkoop van zijn werk nog toenemen. Hij werd ook vertaald.

Pieter Aspe besefte dat de boekenreeks, waarin Brugge meestal het decor was, niet eindeloos kon doorgaan. Hij stopte in 2017 met nummer 40 (De butlerknop), maar eigenlijk verschenen er maar 39 afleveringen. De exit werkte hij niet af omdat zijn vrouw Bernadette tijdens het schrijven in 2016 overleed. Toch begon hij in 2018 nog met een nieuwe tiendelige reeks rond Van In. Daarvan zijn vier episodes verschenen en uitgever Karel Dierckx bevestigt dat er een vijfde verhaal klaarligt dat in het najaar zal verschijnen.

Duvel

Pieter Aspe moet geëerd worden omdat hij, samen met Jef Geeraerts, de misdaadroman in Vlaanderen op de kaart heeft gezet. Hij zag de potentie van het genre en heeft de clichés mooi naar zijn hand gezet. Hij heeft zijn trouwe lezers vele uren van intelligente verstrooiing bezorgd. Aspe heeft ook de weg geplaveid voor andere Vlaamse auteurs die succesvolle series hebben bedacht – denk aan Jo Claes, Toni Coppers of Jos Pierreux. Allen zijn ze schatplichtig aan de man die vrij verlegen was en het liefst in de luwte bleef om verhalen te verzinnen.

Toch vond hij het ook zijn plicht om zich kritisch uit te laten over het boeken­bedrijf. Hij stichtte met cartoonist Marec een eigen uitgeverij, Aspe NV. ‘Uitgeverijen werken meer voor hun aandeelhouders, dan voor hun auteurs. Ze zijn te log geworden. Auteurs zijn geen producten uit de supermarkt’, zei hij. En hoewel hij een publiekstrekker was, boycotte hij in 2018 de Boekenbeurs, omdat bezoekers entreegeld moeten betalen. ‘Betalen om een boek te mogen kopen, vind ik erover.’ Toen enkele kranten uitpakten met ‘het nieuws’ dat Aspe niet meer zat te signeren met zijn onafscheidelijke Duvel (en later Omer), vond hij het schandalig dat de toenmalige winnaar van de Hercule Poirotprijs (Jos Pierreux) het moest stellen met een paar regels.

Pieter Aspe overleed op 1 mei in Brugge. Hij sukkelde al een tijd met zijn gezondheid. Hij werd 68