Paul Couter hield het liever klein
Foto: David Van Hecke

Muzikant Paul Couter is dinsdag op 72-jarige leeftijd overleden. Dat meldt muziekpromotor Bath Foam Throne in een persbericht. Hij was de man die Arno overtuigde dat hij moest zingen. Een goeie bluesgitarist ook. En een naam in de prehistorie van de Belgische rock. Maar vooral was Paul Decoutere zo’n gast die enkel deed wat hij zelf wilde doen.

Iedereen noemde hem Paul Couter. Is dat omdat zijn naam zozeer deel uit was gaan maken van Tjens Couter, een van dé grote bands uit de vroegste dagen van de Belgische rock? Of was het een luie West-Vlaamse gewoonte, zoals Filip Cauwelier ook kortweg Kowlier werd?

Couter was bij leven al een wat mythische figuur. Een kop die in een Tarantinofilm thuishoorde. De laatste keer dat een wat groter publiek hem live aan het werk zag, was in de Ancienne Belgique in Brussel, eind januari 2020. Daar speelde Arno Hintjens drie concerten en hij had zijn oude vriend mee als voorprogramma. Zijn gitaar klonk als vloeibaar metaal, en hij zong ‘I can dance’, als een geest uit een bluesmoeras.

‘Hij is mijn maat, mijn broer, een deel van mijn leven’, zei Arno, die toen al wist dat hij kanker had. Dat was niets gelogen. Couter was een van de eersten met wie hij op een podium stond, en vooral de man die hem aanspoorde om te zingen toen de meeste mensen weinig toekomst zagen in Arno’s schrille zangstijl. ‘Maar hij zong nooit vals en zijn timing was perfect’, zei Couter. ‘En hij was écht, en ik had liever een échte zanger dan een mooie zanger.’

Jukebox

Paul Couter kwam uit Zeebrugge. Geen normale jeugd gehad: zijn ouders hielden het café Het Sas open, en daar streken vissers en vrachtwagenchauffeurs neer op zoek naar vertier. En dat vonden ze onder meer in een jukebox, die wekelijks alle nieuwe singles direct uit Engeland importeerde.

Hij had als kind een gitaar gekregen (van Sinterklaas), maar het duurde tot zijn vijftiende voor hij er echt iets mee deed. Daar had een goeie leraar, Jean Filipov, veel mee te maken, maar ook de tijdgeest. Halverwege de jaren zestig was Engeland in de ban van rhythm-‘n-blues, en die vibe was voelbaar tot aan de Belgische kust. Na een optreden van The Animals in Zeebrugge kocht Couter het album ‘Animal tracks’ (1965). Hij leerde de songs, allemaal bluescovers, van buiten.

‘Stelen met je ogen, jatten, goed luisteren, en zweten, afzien tot je de song beheerst’, zo omschreef hij zijn DIY-leerschool. Tegen 1970 was hij een van de beste gitaristen die in Oostende rondliep. Hij werkte toen in een kleerwinkel, de Tuf Tuf Club, waar op een dag een andere gast met lang haar hem aansprak over zijn schone broek, die hij wel wilde. Arno Hintjens.

Nachtleven

Het was aandoenlijk hen beiden samen te horen vertellen. Ze deelden zoveel jeugdherinneringen dat ze elkaars zinnen konden afmaken. Herinneringen aan het Oostendse nachtleven, nachten in de Groove en de Chèvre Folle, de madammen in monokini. Dat geld niét en muziek wél cool was, en the sky the limit was.

Uit een interview in De Standaard in 2012: Arno: ‘Man, man. Wij hebben toch geleefd, hé.’ – Couter: ‘Altijd op onze vrijheid gestaan.’ – Arno: ‘Rijkdom is content zijn met wat je bent. Als het op is, dan is het op.’

Hun moment de gloire was Tjens Couter. Genoemd naar Decoutere en Hintjens, vormden ze tussen 1973 en 1975 een duo. Het was de tijd waarin rock in overdrive ging, in volume (hardrock) en ook stilistisch (glamrock). Tjens Couter deed het anders: lofi en rootsy, volgens het sixties-credo ‘less is more’, en met wat humor. Ze toerden als gek, ook over de grenzen heen. Een basis voor het leven.

Er kwam een ritmesectie bij, en songs als ‘Gimme what I need’ zorgden voor airplay, waarvan vooral Arno profiteerde. Er verschenen zeven singles en twee albums, en het had kunnen verder gaan, maar intussen had de synthesizer zijn intrede gedaan, en wilde Arno een ander pad inslaan. De nieuwe klank van TC Matic was Couters ding niet, en Jean-Marie Aerts - ook van Zeebrugge - nam zijn plaats in.

Hij heeft er later nooit moeilijk over gedaan. ‘Voor mij was het toch te ingewikkeld. Ik ben een luie mens en ik wil genieten van het leven.’

Kleine clubs

Terwijl Arno een lange carrière uitbouwde, werd Paul Couter deel van het Gentse huishouden. Hij nam een voorbeeld aan Alexis Korner, een Britse bluespurist, om zijn eigen muziek te blijven spelen, met weinig begeleiding.

‘Ik kan niet twee keer hetzelfde spelen’, legde hij uit. ‘Ik vertoef liever in kleine clubs. Spelen voor 300 man, dan ben ik content. In grotere zalen is het plafond te hoog en de klank te slecht. En hoe hoger je gaat, hoe meer mensen je werk moet geven. Voor mij was dat te lastig. Ik heb altijd mijn goesting kunnen doen, dat was me veel waard.’

In 1988 was hij, met bassist Ferre Baelen, betrokken bij de band Partisan, maar Couters carrière verliep grotendeels onzichtbaar in de media en op de radio. Zijn latere platen, onder de naam PCNW, waren moeilijk te vinden, tot ze onlangs opnieuw uitkwamen, ook op Spotify. En Couter was even te zien in de Arno-documentaire Charlatan, en vooral te horen: hij is de gitarist die Arno begeleidt in de begingeneriek.

En hij kon niet zonder muziek. Daar kon hij veel over vertellen. Hoe vaak hij zijn gitaar weggezet had, om daarna in een muziekwinkel weer een andere te gaan stemmen. Hij kocht er veel en deelde ze weer uit, aan bevriende muzikanten als Willy Willy. En hoe hij jaren speelde als straatmuzikant, dé plek voor hem waar zijn metier het eerlijkst beoefend werd, en er ook veel te verdienen was. En niet enkel geld.

.

Paul Couter hield het liever klein
Arno en Paul Couter in Oostende in 2012. Foto: Koen Bauters

Begin deze maand bracht Couter nog een laatste album, Domisoldo’, uit om in stijl af te sluiten, zo zei hij zelf.