In Puurs heeft spoorwegbeheerder Infrabel zaterdag de eerste exemplaren gelegd van ‘groene’ dwarsliggers van zwavelbeton. Niet alleen hebben ze een groene kleur, ook de productie ervan is groen.

Het productieproces van de nieuwe dwarsliggers stoot 40 procent minder CO2 uit dan dat van klassieke betonnen dwarsliggers. Bovendien is het materiaal een afvalproduct van de chemie-industrie en volledig recycleerbaar.

Infrabel wordt naar eigen zeggen de eerste Europese spoorinfrastructuurbeheerder die de dwarsliggers van zijn netwerk ‘groen’ maakt. Waar die tot nu werden gemaakt van beton met cement, zal dat de komende acht jaar zwavelbeton zijn, toch bij 25.000 stuks per jaar.

De productie gebeurt door het Kempense bedrijf De Bonte, dat een patent heeft op het proces en momenteel de enige is die de ‘groene exemplaren’ produceert. Om onder meer hinder door productieproblemen te voorkomen, moet Infrabel met verschillende leveranciers werken. Dat betekent niet dat alle dwarsliggers in ons land in de toekomst zo milieuvriendelijk zullen zijn.

Klimaatambities waarmaken

‘Het spoor is al het groenste transportmiddel, maar wordt nu nog groener’, zegt federaal minister van Mobiliteit Georges Gilkinet (Ecolo). ‘Deze dwarsliggers worden gemaakt van afval van de chemie-industrie en kunnen oneindig gerecycleerd worden. De productie stoot minder CO2 uit, ze zijn in België gemaakt en ze kosten niet meer dan andere dwarsliggers. Dit project ligt helemaal in lijn met wat de regering wil doen, want we hebben zeer grote engagementen uitgesproken op het vlak van klimaatambities. We willen onze CO2-uitstoot met 55 procent verminderen en dit is een concreet middel om dat te doen.’

Duurzaam en recycleerbaar

De levensduur van de dwarsliggers is gemiddeld 20 à 30 jaar, maar vervolgens kunnen ze worden gerecycleerd. Volgens Infrabel is het zwavelbeton even goed bestand tegen de hoge dynamische belasting van treinen als traditioneel beton. Het zou zelfs beter bestand zijn tegen slijtage en chemische aantasting, omdat het minder gevoelig is voor infiltratie van bijvoorbeeld water. Een nadeel is wel dat het een kleinere brandweerstand heeft. Het smelt al bij 140 graden, waardoor een toepassing in bijvoorbeeld woningbouw momenteel niet mogelijk is. Diezelfde eigenschap maakt wel dat er minder energie nodig is bij de productie ervan.