‘Kosten wegen steeds meer op rendement pensioen’
Foto: BELGA

Pensioplus, de koepel van pensioenfondsen, zegt dat schaal en kostenbeheersing steeds belangrijker wordt nu de zoektocht naar rendement lastiger is geworden. 2,1 miljoen Belgen zijn aangesloten bij een pensioenfonds.

‘De tijd van gemakkelijk risicovrij rendement is weg’, zegt Philip Neyt, voorzitter van Pensioplus. De druk op de rendementen maakt dat er meer aandacht voor de kosten moet zijn, zegt Neyt. ‘Niet alleen de beheerskosten maar ook de kosten van toezicht.’ Minder rendement laten opeten door kosten, staat ook in het regeerakkoord. Momenteel loopt een studie om meer zicht te krijgen op de kostenevolutie.

Dat debat is voor steeds meer Belgen van belang. Zowel voor wie aan pensioenvorming via het individueel pensioensparen doet (de zogenaamde derde pijler) als voor wie een groepsverzekering heeft via zijn werk of via het werk aangesloten is bij een pensioenfonds (tweede pijler).

Volgens Neyt zijn nu voor het eerst meer dan twee miljoen werknemers aangesloten bij een pensioenfonds. Dat zijn er meer dan de werknemers die via hun werk kunnen rekenen op een groepsverzekering.

In veel sectorale pensioenplannen zit echter relatief weinig geld. In het regeerakkoord is het voornemen opgenomen dat drie procent van het brutoloon van een werknemer in een pensioenpot zou moeten gestopt worden.

Volgens Neyt wordt de aanvullende pensioenpot steeds belangrijker omdat de wettelijke pensioenen de welvaart niet volgen. Ze volgen enkel de (gezondheids)index. Op die manier zijn op 35 jaar tijd de wettelijke pensioenen 40 procent achtergebleven op de evolutie van de lonen.

Ondanks het turbulent beursjaar haalden de pensioenfondsen een gemiddeld rendement van 4,51 procent. Er waren echter grote verschillen. Er waren enkele fondsen met een negatief rendement en ook een handvol die meer dan 8,5 procent rendement per jaar haalden. Een jaar eerder haalden de pensioenfondsen gemiddeld nog een rendement van 15,24 procent.

Welvaartskloof

Bij het rendement van 4,51 procent hoort een kanttekening. Het is in belangrijke mate afkomstig van latente meerwaarden op de obligatieportefeuille. Dit door de daling van de rente waardoor bestaande obligaties meer waard worden. ‘Als we die obligaties aanhouden tot op vervaldag, eten we als het ware onze coupon op’, zei Neyt.

Het voordeel van een pensioenfonds is dat nooit iedereen terzelfder tijd op pensioen gaat en uitbetaling vraagt. Daardoor kunnen ze op lange termijn beleggen en ook in weinig liquide activa beleggen. Dat levert in principe een ‘illiquiditeitspremie’ op.

Wie in 1985 honderd euro in een pensioenfonds stopte, heeft die nu zien aangroeien tot iets meer dan 1.000 euro waar na inflatie nog 500 euro van overblijft, zegt Neyt. ‘Beleggen op lange termijn loont en dat is voor mij niet tien jaar maar langer dan twintig jaar.’

Neyt zegt dat de pensioenfondsen een rol te spelen hebben in het relanceplan van de overheid. Pensioenfondsen kunnen zelf in allerlei investeringsprojecten investeren zoals infrastructuur maar kunnen ook geld investeren in het Vlaamse Welvaartsfonds of het federale Transformatiefonds.

Dure Tak 23

Nu gaat nog maar 0,80 procent van de beleggingen van pensioenfondsen naar infrastructuur. In het kader van het relanceplan zou dat aandeel kunnen stijgen. Neyt pleit ervoor een platform op te richten langswaar de fondsen kunnen investeren. Veel pensioenfondsen zijn relatief klein en missen de schaal voor dergelijke investeringen. Door manieren te zoeken om schaal te creëren, moeten ook de kosten zakken. Neyt pleit ook dat de overheid voor de projecten met standaarddocumentatie werkt. Nu smullen advocatenkantoren zich dik aan het opstellen van uitgebreide documentatie.

Pensioenfondsen rekenen in regel wel lagere kosten aan dan groepsverzekeringen en werken goedkoper dan de meeste individuele pensioenspaarfondsen.

Neyt verwacht dat het debat van de kosten meer onder de aandacht zal komen als de eerste Europese pensioenspaarfondsen opduiken. Europa heeft in 2019 beslist over te gaan tot de oprichting van Europese pensioenspaarfondsen (derde pijler), de zogenaamde Pepp, die in meerdere landen kunnen verkocht worden. Zo’n pepp mag maximaal een totale kost van 1 procent aanrekenen.

Obligaties zijn out

Maar de allergrootste uitdaging voor zowel de pensioenfondsen als de groepsverzekeringen is om in de toekomst nog een voldoende rendement te kunnen halen. Obligaties zijn voor pensioenfondsen en nog veel meer voor groepsverzekeringen in het verleden een belangrijke belegging geweest die rendement opbracht. ‘Nu weet je bijna met zekerheid dat als je nog in obligaties belegt dat je een negatief rendement zal hebben. Als je wil dat mensen een stukje van hun loon in een pensioenpot steken, moet je hen minstens bescherming tegen koopkrachtverlies garanderen. In het ideale geval beloof je ook de welvaartsevolutie te volgen.’