camera closecorrect Verwijs ds2 facebook nextprevshare twitter video

onderzoeksreeks Veefabrieken

De grootste varkensboer van Vlaanderen is een Nederlander

Op de vlucht voor de strenge regels in eigen land week de Nederlandse varkensboer Jan Schoenmakers uit naar België. Zijn netwerk telt ondertussen 46.000 varkens. Verschillende van zijn stallen behoren tot de meest vervuilende landbouwbedrijven van ons land.

woensdag 9 december 2020 om 3.25 uur

De lokale toegevoegde waarde van de varkensbedrijven is beperkt: het voeder, de biggen en de knechten komen vaak uit Nederland.

In Hulsel, een bosrijk straatje in Poppel op een steenworp van de Nederlandse grens, waait een penetrante varkensgeur je tegemoet. Ooit was dit een wandel- en fietsparadijs, te midden van de vele Kempische hoeves. Maar sinds de komst van enkele indrukwekkende stallen heeft de omgeving een deel van zijn charme verloren.

De varkensstallen zijn van de Nederlandse varkenshouder Jan Schoenmakers. In het Noord-Brabantse Boxtel runt hij een gesloten varkensbedrijf met duizenden zeugen. Om de aanzwellende stroom biggen de baas te kunnen, zijn plaatsen nodig waar de biggen kunnen worden afgemest. Jaren geleden al liet Schoenmakers daarvoor zijn oog vallen op ons land. Hij zag kansen om tegen aantrekkelijke prijzen stallen over te nemen van Belgische varkenshouders die ermee ophielden. Zo zette hij een netwerk op van zes Belgische vestigingen. In de Noorderkempen alleen heeft Schoen­makers meer dan 30.000 vlees­varkens staan, maar hij heeft ook grote stallen in Wijtschate en Pepingen, en wat adressen waar hij varkens laat afmesten bij contractkwekers. Samen gaat het over ­ongeveer 46.000 mestvarkens. Daarmee is Schoenmakers de grootste zelfstandige varkensboer van ons land.

Huvar in Poppel: een van de stallen van het varkensimperium van Jan Schoenmakers. Jimmy Kets

In een interview met het vakblad Pig ­Business (2015) gaf hij aan dat de milde Vlaamse ­regelgeving de reden is waarom hij uitweek. Met de zeugen blijft hij graag in Nederland, maar voor de gespeende ­biggen en de mestvarkens is ons land ­interessanter: onze geur- en milieu­­wet­geving is soepeler, er mogen meer dieren per stal worden gehouden, de varkens ­mogen nog op een rooster staan, lucht­wassers zijn niet verplicht en de mest­afvoer kost minder.

Even schadelijk als fabriek

Die argumenten geven aan dat de Nederlander niet meteen in duurzame stallen investeert. Vier van zijn Belgische sites staan op de Europese lijst van vervuilendste landbouwbedrijven van ons land: twee stallen in Ravels en de sites in Rijkevorsel en Wijtschate. Ze stoten tussen de 10,7 en 15,8 ton ammoniak per jaar uit. De ammoniakuitstoot die landbouwbedrijven rapporteren aan de Vlaamse overheid, worden doorgegeven aan Europa. De vestigingen die meer dan 10 ton ammoniak per jaar uitstoten én tot de klasse van de grote landbouwbedrijven behoren, komen terecht in het Europese E-PRTR-register. Daarin wordt de uitstoot van gevaarlijke stoffen bijgehouden door industriële faci­liteiten over heel Europa. Landbouw­bedrijven die in het register terechtkomen, moeten op het vlak van de uitstoot van schadelijke stoffen niet onderdoen voor ‘gewone’ fabrieken.

Waar Schoenmakers neerstrijkt in Vlaanderen, blijft zijn komst niet onbesproken. Zo klagen verschillende buren rond de stal in Poppel over vreselijke geurhinder. Ze maken zich zorgen over het stof dat uit de stallen komt en ze hebben last van het geraas van de ventilatoren. Schoenmakers zou zich niet aan de door de rechter opgelegde maatregel houden dat er ­tussen tien uur ’s avonds en zeven uur ’s ochtends geen varkens mogen worden opgehaald. Maar ook overdag zorgt de site voor overlast: wekelijks slingeren verschillende grote vrachtwagens met biggen, ­varkens, mest, diervoeder en krengen over de kleine baantjes.

Geen van de buren wil met de naam in de krant. Een van hen, die stallenbouwer is, zit gewrongen met de situatie. ‘De geurhinder is duidelijk. Maar wij kunnen niet klagen, want we leven zelf van de bouw van industriële stallen.’ Hij had het project graag zelf uitgevoerd, maar greep ernaast. De stal werd gebouwd door een Nederlandse firma.

De milieu-inspectie stelde effectief al inbreuken vast bij deze en andere stallen van Schoenmakers, omdat de ammoniak­uitstoot hoger was dan vergund. In een ­reactie stelt de varkenshouder dat hij niet op de hoogte is van de hoge uitstootcijfers. Over pv’s van de milieu-inspectie blijft hij vaag. ‘Het is een vaak gehoord geluid dat de druk van de stallen op de omgeving groot is’, geeft hij toe. ‘Maar eigenlijk valt de ophef wel mee. We kunnen dat doorgaans met de buren bespreken.’

Opmerkelijke constructies

De vraag blijft wat de lokale toegevoegde waarde is van dit soort bedrijven. Het voeder wordt doorgaans aangevoerd door een Nederlandse firma. De biggen komen van Schoenmakers’ eigen zeugenbedrijf. De vetgemeste varkens worden naar verschillende slachthuizen gebracht, in ons land en Duitsland. Bij enkele boerderijen van Schoenmakers is geen boer meer aanwezig. Knechten rijden er dagelijks langs in witte bestelwagentjes met Nederlandse nummerplaten. Bij de stal in Poppel staat een woonhuis, waar vaak Oost-Europese loonwerkers verblijven. Ook nu huist er een Oost-Europees gezin.

Om zijn bedrijf in Vlaanderen uit te bouwen, werkt Schoenmakers met opmerkelijke constructies. De bedrijven die aan de stallen gelinkt zijn, staan nu eens op zijn naam, dan weer op naam van zijn vrouw, zijn schoonbroer, zijn vader of andere kennissen en familieleden. Het adres van de stal in Poppel doet dienst als ­domicilie voor een stoet bestuurders die telkens voor korte tijd in het bedrijf van Schoenmakers neerstrijken. Er zijn ook ­enkele andere Nederlandse landbouw­bedrijven geregistreerd.

Vier van zijn Belgische sites staan op de Europese lijst van vervuilendste land­bouwbedrijven van ons land: twee stallen in Ravels en die in Rijkevorsel en Wijtschate. Ze stoten tussen de 10,7 en 15,8 ton ammoniak per jaar uit

Het bedrijf in het Vlaams-Brabantse ­Pepingen wordt geleid door Raf Meuwis, een belastingconsulent die werkt voor Schoenmakers. Meuwis behartigt als gevolmachtigde de belangen van Schoenmakers bij de belastingen, de kruispuntbank en andere loketten. Hij werkte in het verleden onder de vleugels van SBB en DLV, grote adviesbureaus die landbouwers begeleiden bij de uitbating van hun zaak.

Schoenmakers bracht de zetels van zijn firma’s onder op verschillende adressen. Zowel de holding Schoenmakers, het bedrijf Schoenmakers België als een van zijn varkensbedrijven vindt onderdak op een adres in Maaseik, waar verder het voederbedrijf zit waarvan hij medezaakvoerder is. Op datzelfde adres zitten nog landbouw­bedrijven van Nederlanders. Tot 2011 had ook het consultancybedrijf van Raf Meuwis hier een zetel. Zijn bedrijf was nadien gevestigd aan de Kloosterpoort in Bree. Ook dat blijkt een adres waar verschillende (vaak Nederlandse) landbouwbedrijven ­tijdelijk onderdak vinden. Je vindt er ook een vestiging van Schoenmakers Agro terug.

Raf Meuwis wenst onze vragen niet te beantwoorden. Schoenmakers zelf ziet het probleem van die constructie niet. ‘Als ­ondernemer in het buitenland zoek je ­iemand die je kan bijstaan. Je hebt een ­zakelijk adres nodig voor je bedrijf. Je kan een postbus huren. Maar ik vestig me liever op een adres waar je een klankbord hebt als je de post ophaalt.’

Boerenhaters

Niet alle Belgische plannen van de Nederlander gingen door. Tegen de uitbreiding van zijn stal in de Hofstraat in Ravels kwam hevig protest van het buurtcomité Achterijl. Het plan was om van 2.880 dierplaatsen uit te breiden naar een megastal waar 5.128 biggen zouden worden vet­gemest. De buren zagen die ‘biggenfabriek’ niet zitten. De trekker van het protest was Gert Laurijssen, fractieleider van de Ravelse N-VA, die tien jaar procedeerde en 25.000 euro aan advocatenkosten ophoestte. Maar hij kreeg gelijk, de uitbreiding werd niet vergund.

De strijd liet sporen na. ‘We werden weggezet als boerenhaters. Dat komt aan, want ik ben zelf landbouwer.’ Maar Laurijssen pakt het anders aan, op zijn bedrijf De Lochtenberg. Hij houdt koeien, heeft een kaasmakerij en verkoopt zijn kaas in een hoevewinkel en bij gespecialiseerde kaaswinkels. Er is ook een klein restaurant, waar mensen een ijsje, een kaasplank of een pizza kunnen eten. ‘Ik probeer te bewijzen dat je niet mee moet stappen in die massaproductie om als landbouwer te overleven’, zegt hij. ‘Die strijd kunnen we toch nooit winnen. Volgens mij is het enige alternatief een sterke lokale toegevoegde waarde, waardoor je ook hogere prijzen kunt vragen voor je product. Die melk en die kaas gaan door onze handen, wij kennen onze klanten en wij zien wat er met ons product gebeurt.’

Jan Schoenmakers zelf ziet het anders. ‘De landbouw specialiseert, je moet op ­grote schaal opereren om de kosten te drukken en mee te blijven. Die markt stopt niet bij de grens. Wij proberen de ketens op de Europese markt te versterken. Het varken is een kringloopdier, dat resten uit de voedingsindustrie verwerkt. We willen die kringloop nog beter sluiten, door eigen voeder aan te maken met reststromen. Zo kunnen we af raken van de soja uit Zuid-Amerika. Maar voor duizend varkens kun je geen eigen voederproductie opzetten. Daarvoor heb je volumes nodig.’

‘Ik besef wel dat de schaal van de veeteelt in deze contreien uit zijn voegen barst’, zegt hij nog. ‘De grenzen zijn bereikt. Voor mij moet het niet groter worden. Ik wil nu vooral inzetten op efficiëntie.’

Door Ine Renson

Foto’s Jimmy Kets

Ine Renson onderzoekt de opkomst en de impact van megastallen in Vlaanderen.

Volgende aflevering (6):

Waarom vergunt Vlaanderen grote stallen zo vlot?

Lees meer op

www.standaard.be/megastallen

De podcasts van De Standaard