camera closecorrect Verwijs ds2 facebook nextprevshare twitter video

psychologie

Hoop doet leven, en leven is hopen

We doen het allemaal: hopen dat het snel beter gaat met de wereld. Maar wat doen we precies wanneer we hopen? En kan je dat trainen, hopen? Een denkoefening.

donderdag 22 oktober 2020 om 3.25 uur

 Trui Chielens

Elk jaar probeer ik met een vriendin een weekendje weg te gaan. Dit jaar hadden we de plannen daarvoor uitgesteld – om bekende redenen. Maar nu het aantal besmettingen alleen maar oploopt en een volledige lockdown steeds dichterbij lijkt te komen, vinden we het moeilijk om te blijven hopen dat de situatie ooit nog zal verbeteren en dat ons weekendje dus nog kan doorgaan.

‘Vanaf november zitten we helemaal binnen’, zei ze.

‘Dat zal toch wel meevallen?’, vroeg ik. ‘Laten we hopen van niet!’

Volgens de oude Grieken was hopen iets voor mensen die weinig kennis hadden of zich nogal snel door wensdenken lieten overhalen. Hoop was voor degenen die geen plannen konden maken

Ze wierp me een sceptische blik toe. ‘Met hopen los je niks op.’

Hopen op een einde – van het virus, van de besmettingen, van onze beperkte be­wegingsvrijheid – lijkt steeds naïever. ­Tegelijkertijd is het broodnodig: zonder hoop lijkt het al helemáál ondoenlijk om je aan de maatregelen te houden. Want waarom zou je opletten als het toch nooit meer goed komt?

We zijn niet de enigen die ons afvragen hoe we de moed erin kunnen houden. Time Magazine wijdde zijn grootste jaarlijkse issue aan het thema hoop. Honderd invloedrijke mensen gaven daarin hun tips over hoe hoop te houden. Dat nummer kwam uit in april. Maar inmiddels is het november en is het coronavirus nog lang niet verdwenen. Hoe houden we hoop in een situatie die voorlopig niet verandert? Of houd je jezelf daarmee vooral voor de gek?

Christelijke deugd

Hoop ken ik in de eerste plaats uit mijn christelijke opvoeding, als een van de ­zeven deugden. Waarom dat zo is, heb ik nooit zo goed begrepen. Anders dan wijsheid of zelfbeheersing, waar je je nog een beetje in kunt oefenen, leek hoop me iets wat je gewoon hebt – of niet.

In zijn serie over die zeven deugden maakte Pieter Bruegel een gravure van de hoop. Op de afbeelding zijn verschillende rampscenario’s te zien: mensen in een schandblok in de gevangenis, een huis dat in brand staat, een overstroming, meerdere schepen die vergaan in een woeste zee. De bemanningsleden klemmen zich aan de wrakstukken vast. En dan, in het midden van de afbeelding, een vrouw: Hoop. Onder de plaat staat een Latijnse tekst: zonder hoop zouden we de bijna ondraaglijke tegenslagen van het leven niet kunnen verdragen. Hoop is een deugd omdat het de moed geeft om door te gaan – zelfs als je huis in brand staat of je in de woeste baren ligt. Dat het in de toekomst beter wordt is een uitstekende reden om niet op te geven en je aan een wrakstuk vast te klampen.

Maar het klopt wél dat je je er niet echt in kunt oefenen. Hoop is, in essentie, irrationeel. Want met schip vergaan op zee en tóch hopen op redding is onwaarschijnlijk. Hopen op een vaccin is je verwachting ­behoorlijk ver in de toekomst plaatsen. ­Hopen gaat bijna per ­definitie tegen het beter weten in. Waarom zou je het dan doen?

Wensdenken

Het hoeft namelijk niet. Volgens de oude Grieken was hopen iets voor mensen die weinig kennis hadden of zich nogal snel door wensdenken lieten overhalen. Hoop was voor degenen die geen plannen konden maken. Generaals die te veel hoopten op een goede afkomst, waren bijna zeker dat ze de oorlog zouden verliezen. Kortom: je moet het heft in eigen hand nemen. ­Hopen is inderdaad irrationeel, en daarom kan je het volgens de Grieken beter niet doen. Maak in plaats daarvan een plan.

Dat klinkt als een goed idee, en dat heb ik bij het horen van de oplopende cijfers dan ook gedaan. Ik weet dat ik geluk heb: ik heb een klein, maar fijn huis, een job die niet op de tocht staat en fijn bubbelgezelschap. Als ik weken binnen moet blijven, dan weet ik inmiddels dat ik drie keer per dag moet eten, yogavideo’s moet doen en een beetje bijtijds naar bed moet gaan om mijn mentale gezondheid te bewaken. Zo’n persoonlijke gebruiksaanwijzing had ik in april nog niet. Wat dat betreft doe ik wat de Grieken aanraadden: ik heb een plan en laat me niet leiden door wensdenken dat het hele virus gewoon verdwijnt.

Aan de andere kant zijn er een heleboel dingen die ik in deze situatie níét onder controle heb. Ik kan wel een plan maken, maar wat ik precies wel en niet mag, wanneer dat vaccin er komt: ik heb er niks over te zeggen. Zo bezien voel ik me eerder een schip op woeste zee dan een Griekse filosoof. En zonder toekomstperspectief is het toch best moeilijk om dat persoonlijke plan vol te houden.

Onderin de doos

Maar ook de Grieken zagen in dat hopen ingewikkelder was dan alleen irrationeel wensdenken. Een bekende Griekse mythe gaat over Pandora. Als geschenk kreeg zij van Zeus een doos die ze nooit mocht ­openen – onmogelijk natuurlijk, dus deed ze dat uiteindelijk toch. Pandora opende de doos en alle mogelijke rampspoed verspreidde zich over de aarde. Snel probeerde ze de doos te sluiten, maar alleen de hoop was nog in de kist overgebleven.

Wat dat precies zegt over hoop is on­duidelijk: is het iets wat de mensheid onthouden wordt, doordat het in de doos blijft? Is het een giftig geschenk, omdat het mensen irrationeel laat uitkijken naar de toekomst? Of is het juist de verzachting voor het leed dat over de aarde is uit­gestort? Is hoop een vloek of een zegen? Het lijkt in sommige situaties op het wreedste wat je kunt doen: hoop geven, als die er eigenlijk niet is.

Een ding met veren

In bepaalde versies van het verhaal is de hoop een vogel die uit de doos ontsnapt, en zo naar de mensen vliegt. Daar lijkt Emily Dickinson naar te verwijzen in haar gedicht Hope is the thing with feathers. De hoop is een vogel, zegt zij in het gedicht, die zelfs in de ergste stormen een wijsje zingt. En beter nog: hoop vraagt nooit iets van je, het kost je niets om hoop te houden. Precies wat Bruegel ook leek te denken: zelfs als al het mogelijke misgaat, hebben we de hoop nog. En dat is geen vloek, maar een essentieel deel van wie wij zijn als mensen. Want we zijn nou eenmaal niet louter rationeel, en we hebben zeker niet overal de controle over.

Dat betekent niet dat je je realiteit hoeft te ontkennen en maar moet wensdromen dat alles goed komt, of dat je mensen hoop moet geven voor wie er geen hoop meer is. Je kan, in navolging van de Grieken, best een plan klaar hebben voor wanneer alles misgaat. Maar hopen is niet je ogen ­sluiten, het is een uitzichtpunt kiezen. Dat weekendje moeten mijn vriendin en ik dus maar inplannen – en dan hopen dat het kan doorgaan.

De podcasts van De Standaard