Volgens minister van Binnenlandse Zaken Pieter De Crem was er vorig weekend aan de kust overal genoeg politie, maar werd in Blankenberge tijd verloren om rellen te voorkomen.

De minister van Binnenlandse Zaken, Pieter De Crem (CD&V), is voorstander van een plaatsverbod voor amokmakers die bij politie en gerecht bekend zijn. Zo’n plaatsverbod zou voor de hele kustlijn, en indien nodig voor andere recreatiegebieden, moeten gelden. De Crem verwijst naar de voetbalwet, waarbij iets gelijkaardigs gebeurt met hooligans en voetbalstadions. Een soortgelijk verbod zal evenwel niet meer voor deze zomer zijn. Daarvoor is er te weinig speling om nog een heel systeem uitgerold te krijgen, zo bevestigde de minister deze namiddag op Radio 1.

Daarnaast ijvert De Crem dat ‘al wie bekend is voor strafbare feiten’ zich tijdens bepaalde periodes van het jaar, zoals tijdens de hittegolf van vorig weekend, in zijn/haar thuisgemeente moet melden, zodat politiediensten kunnen controleren waar ze zijn. Dat zei De Crem vanmorgen in de Kamercommissie Binnenlandse Zaken. De minister sprak even later over een ‘controle via domicilie’. Volgens hem komt dat niet de facto neer op huisarrest.

Na de rellen en incidenten van vorig weekend in Blankenberge, waarbij een vijftigtal heethoofden met de politie slaags raakte, moest De Crem in de Kamercommissie uitleg komen geven. Verschillende Kamerleden verweten hem afwezig te zijn geweest en de kustburgemeesters aan hun lot te hebben overgelaten. Ze wilden weten welke afspraken De Crem met de kustburgemeesters had gemaakt om hen bij een grote volkstoeloop te ondersteunen en wat hij zal doen om een herhaling van de rellen van vorig weekend te voorkomen.

De Crem bijt van zich af

‘Ik ben niet onder de indruk van de kennis van sommige commissieleden over het ter beschikking gestelde politieapparaat’, zei De Crem. Hij wees erop dat de lokale politie van Blankenberge bijstand had gekregen van andere politiekorpsen en van de federale politie en dat de structurele bijstand van de federale politie nog nooit zo groot is geweest als deze zomer.

‘Om de coronamaatregelen te controleren, zijn op mijn voorstel deze zomer veertig inspecteurs van de federale politie naar de kust gedetacheerd, onder wie negen naar Westkust, vijf naar Oostende, tien naar Bredene-De Haan en vijf naar Blankenberge. Die reserve wordt door de lokale politiekorpsen bij incidenten of onverwachte volkstoelopen opgeroepen. Dat is zaterdag effectief gebeurd. Op geen enkel ogenblik is er melding gemaakt van enig tekort aan inzetbare politiemensen.’ Een reserve in Drongen stond klaar, maar was niet nodig.

Niet slim van Blankenberge

Daarop kaatste De Crem de bal terug naar Blankenberge, dat volgens hem meer had kunnen doen door een slimmer strandbeheer. ‘Blankenberge heeft een eerder smalle en korte kuststrook. De helft daarvan is in privéconcessie uitgegeven. Bij hoogwater is daardoor nauwelijks ruimte beschikbaar voor strandgangers die geen strandstoel huren of niet in een strandbar terechtkunnen. Dat vraagt een zeer specifieke benadering waarbij het lokale bestuur erop moet toezien dat er niet te veel strandgangers aanwezig zijn. Desnoods moet men de toegang tot het strand reguleren of moet men het strand tijdig evacueren. Dat is niet gebeurd.’

‘Volgens mijn informatie waren er al rond 14 uur signalen over mogelijke problemen met jongeren. Uiteindelijk is maar om 17.30 uur opgetreden. Er werd dus tijd verloren. De amokmakers konden ook bij aankomst of in de straten van Blankenberge onderschept of gecontroleerd worden op samenscholing en potentieel drankmisbruik. Ook dat is niet gebeurd.’

Een sluiting van de treinstations, zoals door sommige kustburgemeesters werd geopperd, zou volgens De Crem ‘buiten alle verhouding’ zijn en de gewone dagjestoerist straffen. ‘Voor velen van ons zijn dagtoeristen geen dagterroristen.’