Bart Peeters: ‘Ik voelde me een sneltrein die in volle vaart tegen een muur botste’
‘Ik moest uitleggen dat ik niet ineens iemand anders kan zijn.’ Foto: Fred Debrock

‘Als een sneltrein die tegen een muur knalde’: zo voelde Bart Peeters zich toen tien uitverkochte concerten in de Lotto Arena afgeblazen werden. Maar daardoor vond hij wel zijn gezin terug, de verhalen van zijn moeder, en zijn favoriete standpunt: dat van de loser.

Het verhaal begint twintig jaar geleden. Bart Peeters, toen een te aanwezig tv-gezicht, en ook nog popster, had besloten dat klein ook mooi kan zijn, en zat onder een boom in zijn Franse vakantieoord naar zichzelf te zoeken. Een topgitarist was hij niet en met het Beatles-Engels van The Radios had hij het wel gehad. Dus prutste hij in zijn moedertaal kleine, blote liedjes ­bijeen over zijn eigen leven. Dat was eenvoudig: ‘Toen we Luikse wafels aten, onlangs in Heist aan Zee/ De kinderen in zo’n gocart zaten, bejaarden ramden met wind mee.’

‘Hugo Matthysen heeft later gezegd dat ik een familiefeestenzanger ben’, grinnikt hij. ‘Maar tijdens die vakantie kwamen Ronny Mosuse en zijn vriendin dus langs. Op een avond, toen ik zoveel gedronken had dat ik eender wat gedaan zou hebben, zong ik enkele van die liedjes. De volgende ochtend hoorde ik voorzichtig vallen dat het “interessant” was. “Maar waar dient dat voor?”, vroeg Anneke, mijn echtgenote. “De mensen waren daar toch niet bij? Dat is toch ons leven?”’

Peeters ging er, vol twijfels, toch mee spelen op zolders en in cafés. ‘Ik wilde zelfs geen geluidsversterking, het moest als op straat klinken. Ik wilde volledig ­terug naar af. Dat verhaal groeide rustig door. Onder de radar, want ik breng geen schlagers, of pop of dance. Tien jaar geleden vroegen ze me in het Sportpaleis, maar we spelen ­liever in kleine zalen, waar we het publiek in de ogen kunnen kijken. ­Vorig jaar kwam de vraag weer. De Lotto Arena? Oké, één keer. Desnoods twee keer dan. En toen stonden er ineens 25 shows.’

En toen kwam vrijdag 13 maart en moesten alle deuren dicht.

‘Ik mocht niet meer buiten. Ik mocht geen fysiek contact meer hebben met mijn ­muzikanten. De concerten werden afgelast. Ik voelde me een sneltrein die in volle vaart tegen een muur botste. Ik zag nog niet dat er een zee van tijd zou zijn om films en boeken te ontdekken. Nee, ik was in paniek.’

U was toch niet alles kwijt? Alleen wat concerten.

‘Onderschat dat niet. Twintig jaar geleden koos ik ervoor om muziek te maken in een stijl die toen een niche was. Als je dat kindje kunt laten openbloeien, zie je het niet graag onthoofd worden. Een publiek leven als tv-gezicht is geen geschenk, neem dat maar van me aan, maar groeiend succes als muzikant is dat wel.

Het lot liet ons toe de eerste vijftien Lotto-concerten te doen, en ze hebben een livealbum opgeleverd, maar we mogen het voorlopig niet live verdedigen, ook niet op de zomerfestivals, en dat doet pijn. Dat was mijn droom die daar in elkaar klapte.’

Een kinderdroom?

‘Natuurlijk! Op mijn zevende wilde ik niet de nieuwe Luc Appermont worden, maar een zanger. Maar in het Piusinstituut van Antwerpen mocht ik niet meedoen in het schoolkoor omdat mijn stem te rauw was. Als kind viel ik veeleer op als tekenaar. En in het koor mocht ik enkel drummen. Pas toen ik achttien was, zong ik voor het eerst ergens een liedje, “Aline” van Christophe. “Dus … in principe kun jij ook een beetje zingen”, zei Anneke toen.’

Hoe hebt u die inactieve periode, zonder wilde podiumemoties, doorstaan?

‘Mijn vader is vijf jaar geleden overleden en mijn moeder woont in Lier op een appartement, waar ze dus geen bezoek mocht krijgen. Ik ben veel met haar gaan wandelen, al pratend. Over haar verdriet, en het leven. Ik heb zoveel dingen gehoord die ik niet wist. En ik heb het prachtige landschap langs de Nete ontdekt. Op een bepaald moment stopte ze bij een huis: “Hier heb ik de oorlog doorgebracht.” Ze kan dingen in perspectief zetten. Dat de coronacrisis niet te vergelijken is met de ontberingen van de oorlog bijvoorbeeld.’

Was het wennen thuis?

‘Ik had een ononderbroken gezinsgevoel. Alle kinderen, plus twee partners, zaten in onze bubbel. Met zijn zevenen was het bij ons een onvoorziene zoete inval.’

Iets heel anders dan de euforische bijval van duizenden fans.

‘Die tegenslag kon ik gebruiken om liedjes te schrijven vanuit mijn favoriete standpunt van de loser. En omdat ik thuis schreef vond ik de toon terug van in 2000: in mijn zelfgekozen kluizenaarschap vond ik het toen een hoger doel om vijftig mensen naar mijn songs te laten luisteren dan er 180 miljoen te bereiken op televisie, wat ik toen al meegemaakt had op de Russische televisie. Want die zeven mensen in mijn nest hadden een mening. Zo zeiden ze al snel dat ik nu eens moest ophouden met zingen dat ik nooit de ideale man of vader zal worden. “Niet dat je het wel bent, maar zo erg is het ook niet”, klonk het. Zo sneden ze gewoon de ader van mijn inspiratie door. Ik moest uitleggen dat ik niet ­ineens iemand anders kan zijn, en dat elke gelijkenis met het echte leven niet juist is.’

Hebt u ook nagedacht over de enorme bijval van die Lotto-concerten? Heeft die ook niet een andere grond dan enkel uw songs?

‘Daar kunnen we lang over praten. Toen ik rootsmuziek in het Nederlands begon te maken, was dat een niche. Toen dachten velen dat je schlagers moest zingen om een breed publiek te bereiken. En dat liedjes vlot meezingbaar moesten zijn, zoals “Hij speelde accordeon”. Wel, op elke Lotto-avond werd “Allemaal door jou”, een antirelatietekst waarvoor ik zelf nog steeds uiterst geconcentreerd moet zijn, door duizenden mensen van begin tot einde meegezongen. Ik heb trouwens nooit ­bewust een meezinger geschreven. Volgens mij bewijst de bijval dat er gewoon meer mensen op deze golflengte zitten dan gedacht. Dat was ook zo voor stand-upcomedy. Voor die golf opkwam, dacht men over humor in termen van Gaston en Leo.’

Bart Peeters: ‘Ik voelde me een sneltrein die in volle vaart tegen een muur botste’
Foto: Fred Debrock

Mensen zijn steeds meer op zoek naar ­samenzijn. Dat gevoel geeft u met die show, die liedjes, dat koor.

‘Sommige dingen komen toevallig tot stand. Toen we in 2019 op Boterhammen in het Park in het Warandepark voor 8.000 mensen speelden, scheen de middagzon over het publiek, en zag ik élk gezicht. Ik wilde dat effect ook in de Lotto en heb de lichtcrew moeten overtuigen dat zoiets wél kon, ook al “doet niemand dat”. En ’s avonds hing dus een soort avondschemering over de mensen, die elkaar elke seconde zagen en voelden.’

Wie 25 keer de Lotto Arena uitverkoopt, is groot. Kunt u nu nog terug?

‘Maar natuurlijk! Het Lotto-succes is niet ons statuut. We maken een nieuwe plaat, we gaan opnieuw frisse dingen doen in kleine clubs. Dat was de bedoeling, en de coronacrisis heeft me daarin geholpen. Wanneer we nu de nieuwe nummers oefenen, hoor je meteen welk nummer in die periode geschreven is. In de eerste weken was ik enkel nog de man met zijn gitaar. Die zanger heeft beduidend minder praats. Pas in juni kon ik opnieuw een song schrijven die schaamteloos swingde.’

Dus toch een positieve periode?

‘De zin van het leven hangt af van de mate waarin je Dionysus aan de ketting kunt houden. Mij lukt dat normaal gezien niet, en in deze periode móést het. Ik heb ­gedacht aan Leonard Cohen, die zich in de jaren 90 in het Mount Baldy Zen Center ­terugtrok. Ik vond dat een verdedigbaar idee, maar dacht ook dat ze me daar met geen stokken zouden binnenkrijgen. Wel, de coronacrisis was zo’n stok. Waarbij ik met veel schroom bedenk dat de impact van de stok bepaald wordt door de hoge mate aan dramatiek die hij in zich heeft. Het is een triest vooruitzicht om door gebrek aan zuurstof aan je einde te komen. Daarom ­lagen we, en lag ik, zo braaf aan de ketting.’

Elke dag vragen we boeiende mensen hoe ze de voorbije maanden zijn doorgekomen, en waaruit ze vandaag hun veerkracht halen.

U vindt de volledige reeks op: standaard.be/veerkracht