Let op voor de superverspreider: jong, niet ziek en luid
Een karaokebar in Kyoto (Japan). De Japanse overheid raadt aan om bomvolle cafés te vermijden. Foto: getty images

Ze wakkeren de corona-epidemie aan door veel mensen te besmetten. Maar wie zijn de superverspreiders? Een Japanse studie geeft een eerste inkijk: het zijn vaker jonge volwassenen die nog niet ziek zijn.

Ze kunnen in één klap een uitdovende epidemie nieuw leven inblazen. Een super­verspreider kan tijdens één avondje stappen tientallen mensen besmetten met het nieuwe coronavirus.

Steeds meer onderzoek toont aan dat een kleine groep aan de bron ligt van het gros van de besmettingen. Een studie uit Hongkong toont aan dat 80 procent van de besmettingen veroorzaakt wordt door 20 procent van de patiënten. De resterende 20 procent is het werk van nog eens 10 procent van de patiënten. Dat betekent dus ook dat zeven op de tien patiënten niemand anders besmetten (DS 24 mei).

Om de epidemie onder controle te houden, is het dus erg belangrijk om super­verspreiders tegen te houden. Maar wie ontpopt zich tot een superverspreider?

Een studie van Japanse clusterverspreidingen geeft daar een eerste zicht op. Japanse wetenschappers onderzochten 61 clusters met elk vijf of meer besmettingen. Bijna de helft van de clusterbesmettingen vond in een zieken- of rusthuis plaats.

Tien van de 33 besmettingen buiten de zorg gebeurden in een café of restaurant (zie grafiek). Ook koorrepetities en karaokefeestjes – het blijft Japan – gaven aanleiding tot superverspreiding. Op een liveconcert raakten meer dan dertig mensen besmet.

Let op voor de superverspreider: jong, niet ziek en luid
Foto: DS Infografiek

In 22 van de gevallen buiten de zorg konden de onderzoekers de patiënt identificeren die de rest aanstak. Hoewel het om een beperkte groep gaat, geeft het wel een eerste beeld van de potentiële super­verspreider. In de helft van de gevallen ging het om een jonge volwassene, tussen 20 en 39 jaar. Ook in de hogere leeftijdsgroepen kwamen verspreiders voor, maar minder vaak. Geen enkele jongere onder 20 jaar lag aan de basis van een cluster.

In zestien gevallen konden de onder­zoekers vaststellen wanneer de index­patiënt zelf symptomen kreeg. Opvallend is dat twaalf van de zestien patiënten in een kort tijdvenster anderen besmetten. Dat gebeurde één of twee dagen voor ze ziek werden, of op de dag dat de symptomen zich manifesteerden. Het ging dus niet om mensen die al hoestend veel anderen ­besmetten. Dat strookt met de eerdere vaststelling dat mensen het besmettelijkst zijn net voor ze symptomen krijgen (DS 25 maart).

Het bos zien, niet de bomen

Hebben jonge mensen meer aanleg om ­superverspreider te worden? ‘We weten niet of sociale, biologische of beide factoren een rol spelen in het verschil in ­besmettingspatroon tussen jonge en oude mensen’, schrijven de onderzoekers. Het is dus mogelijk dat jonge volwassenen zich louter vaker in situaties bevinden waar ­superverspreiding plaatsvindt.

Ook door de plaatsen waar de clusterverspreiding plaatsvindt, loopt een rode draad. ‘Veel clusters worden geassocieerd met diep ademhalen op geringe afstand, zoals zingen op een karaokefeestje, juichen in een club, cafégesprekken en fitnessoefeningen’, schrijven de onderzoekers.

Uit een analyse van fitnesslessen in Zuid-Korea blijkt dat lesgevers heel wat mensen besmetten. Opmerkelijk is dat een besmette instructeur die yoga en pilates gaf, helemaal niemand besmette.

Dat precies Japan clusters uitgebreid bestudeert, is geen toeval. Het land van de rijzende zon was in februari al beducht voor superverspreiders. Japan test minder hard dan andere landen, maar spoort wel actief clusters op. ‘Door breed te testen proberen westerse landen het virus geval per geval uit te roeien’, verklaarde viroloog Hitoshi Oshitani, architect van de strategie, aan het tijdschrift Gaiko. Japan daarentegen ­tolereert kleine besmettingshaarden, maar controleert en vermijdt grote uitbraken. ­‘Je moet het bos zien, niet de bomen’, zegt ­Oshitani.

Daarom gaf Japan zijn burgers al vroeg – en met succes (DS 10 juni) – de raad mee om 3 C’s te mijden: closed spaces (afgesloten ruimtes), crowds (menigtes) en close contacts (nauwe contacten). Een bomvol café, pakweg wanneer een plensbui iedereen binnenjaagt, zondigt dus tegen alle C’s. ‘In zo’n scenario is zeker superverspreiding mogelijk. Daarom moet de horeca bij regenweer een plan B hebben’, zegt professor epidemiologie Pierre Van Damme (UAntwerpen).

De vraag rijst of ook België niet harder clusters moet opsporen. Die zijn nog ­altijd niet uitgebreid bestudeerd. ‘Dat moet deel uitmaken van het beleid’, zegt Van Damme. ‘Contactopsporing laat toe om te onderzoeken of mensen in dezelfde context besmet raakten. Om het vertrouwen te winnen, moeten we onderzoekers ter plaatse sturen. Want het is bijzonder moeilijk om clusters op te sporen als mensen maar een of twee contacten doorgeven.’