Wat als het openbaar vervoer de toestroom niet aankan?
Het openbaar vervoer zou maar een klein percentage aankunnen van de bezetting van voor de crisis. Foto: photo news

Een verschuiving van collectief openbaar vervoer naar individueel vervoer zit in de lijn van de verwachtingen. Maar dat hoeft niet de auto te zijn.

Het is een eenvoudige rekensom in het gelekte tussentijdse rapport van de experts. In het precoronatijdperk had het Belgische openbare vervoer een capaciteit om 1,2 miljoen mensen te vervoeren, van wie tachtig procent pendelaars of schoolgaande kinderen. De noodzaak om de sociale afstand te respecteren, heeft die capaciteit gedecimeerd.

Volgens schattingen van de experts kunnen de treinen slechts tot dertig à veertig procent worden gevuld als de afstandsregels gerespecteerd moeten worden. In bus, tram en metro blijft zelfs maar tien tot twintig procent van de capaciteit over, iets waar ook de topman van De Lijn, Roger Kesteloot, al op had gewezen (DS 21 april).

Dat betekent dat van de 1,2 miljoen aan capaciteit, er maar 200.000 tot 310.000 beschikbare plaatsen overblijven, maximaal een kwart van het totaal. In een eerste fase van de heropstart van de economie zou dat nog geen grote problemen mogen veroorzaken, denken de experts, tenminste als er duidelijke richtlijnen zijn over hoe pendelaars zich moeten gedragen, bijvoorbeeld het verplicht dragen van een mondmasker.

Vanaf midden mei, wanneer de scholen opengaan en de economie verder heropstart, kan daar snel verandering in komen. De vraag naar openbaar vervoer zou dan wel eens kunnen stijgen naar een niveau dat het op dit moment niet aankan, zeker in het net van grote steden als Brussel, zelfs al blijft het openbaar vervoer voorbehouden aan pendelaars en schoolgaande kinderen.

Fietscorridor

Uiteraard blijft telewerk een cruciaal onderdeel van de heropstart, bij de becijfering van mogelijke problemen in het openbaar vervoer is er zelfs rekening mee gehouden dat het verplichte telewerken voor wie dat kan, blijft bestaan. Zonder het verplichte telewerken dreigt hoe dan ook een nieuwe opstoot van het virus. Een verhoogde druk op het openbaar vervoer maakt dat gevaar alleen maar groter, waarschuwen de experts.

‘Er is nog potentieel’, zegt experte Inge Mayeres van Transport&Mobility. ‘Bedrijven hebben nu ervaring kunnen opdoen met telewerken en kunnen zien dat telewerken in bepaalde omstandigheden een oplossing kan bieden.’

Het is wel de vraag of pendelaars die niet thuis kunnen werken, zich wel zullen laten verleiden om het openbaar vervoer te nemen. Sommigen zullen niet durven, anderen zullen zich laten afschrikken door het verplichte dragen van een mondmasker. Maar als zij in de plaats daarvan de auto nemen naar het werk, dreigt een andere, zo mogelijk nog grotere flessenhals.

Mobiliteitsexpert Dirk Lauwers van de Universiteit Gent verwacht hoe dan ook een verschuiving van collectief naar individueel vervoer als de quarantainemaatregelen langzaam worden gelost. ‘Het zal veel afhangen van het gevoerde beleid of dat nieuwe vervoermiddel de auto wordt, of de fiets. Nu is het moment om werk te maken van een modal shift in de richting van de fiets. Steden als Berlijn, Milaan, Parijs en honderden andere steden in Frankrijk bereiden zich voor om in de exitfase massaal te kunnen inzetten op fietsen, met fietscorridors en het vrijmaken van rijstroken voor fietsers. Ook wij kunnen de exit uit de lockdown voorbereiden door massaal fietsroutes uit te tekenen.’

Daarnaast hangt ook veel af van de manier waarop het openbare vervoer zich voorbereidt op de lagere capaciteit. In Kopenhagen zijn op de perrons al cirkels afgebakend waar reizigers kunnen wachten op hun trein met respect voor de sociale afstand. Apps kunnen laten zien of er nog plaats is op de bus of trein. Maar het valt te betwijfelen of die snel in België ingevoerd kunnen worden.

Vlaams minister van Mobiliteit Lydia Peeters (Open VLD) bereidt maatregelen voor om zo veel mogelijk pendelaars en schoolgaande kinderen op de fiets te krijgen. Daarbij wordt onder meer gedacht aan het verbreden van fietspaden, het innemen van parkeerplaatsen, het uitbreiden van schoolstraten en het gebruik van deelsystemen voor elektrische fietsen voor kinderen uit het secundair onderwijs.