De stalagmiet, een weerbericht uit het verleden
De wittere lagen van stalagmiet Proserpine ­wijzen op minder vervuiling tijdens de twee ­wereldoorlogen.

Han-Sur-Lesse: zijn toeristentreintje, zijn safaripark, zijn grotten. En in die grotten staat Proserpine, een fraaie opstijgende druipsteen of stalagmiet.

Onder­zoekers van de VUB, de UGent en het ­Koninklijk Instituut voor Natuurwetenschappen hebben boorstalen uit Proserpine onder de loep gelegd. Hun bevindingen verschenen in het tijdschrift Climate of the Past.

‘Doordat ze jaar na jaar aangroeien, bevatten stalagmieten een schat aan informatie over het verleden’, vertelt Niels de Winter, geochemicus aan de VUB en een van de ­vorsers. Neerslagwater dat door de bodem sijpelt, belandt in de grot, waar het opgeloste stoffen afzet die laagje na laagje de stalagmiet opbouwen. Wat het water op zijn weg meeneemt, kan in die laagjes terug­gevonden worden, per jaar en zelfs per ­seizoen. Proserpine blijkt wat dat betreft een topexemplaar omdat zij diep zit, ver van de nadelige effecten van de toeristen, en omdat haar laagjes erg duidelijk zijn.

De stalen konden gedateerd worden op de periodes 1960-2010, 1635-1646 en 1593-1605. Ze tonen dat de Belgische zomers sinds de 17de eeuw warmer geworden zijn. De winters werden op hun beurt minder nat. Dat valt af te leiden uit de hogere concentraties mag­nesium en strontium in de monsters van de recentste periodes. Die duiken op als het ­water er langer over doet om de grot te ­bereiken.

Duizenden jaren oud

Tegelijk stelden de onderzoekers vast dat de ontbossing meer water deed doorsijpelen – de ­bodem werd dunner. Ook de aanwezigheid van lood uit uitlaatgassen konden ze traceren. ‘De wittere monsters van tijdens de twee wereldoorlogen laten zien dat er toen minder vervuiling was’, zegt De Winter.

Bij gebrek aan klimaatgegevens uit het verre verleden kijken wetenschappers naar informatie die in de natuur opgeslagen is. Die vinden ze in jaarringen van bomen, ­koraal, ijslagen of dus stalagmieten.

Terzijde: een klimmende stalagmiet ­bekoort de wetenschappers meer dan zijn hangende evenknie, de stalactiet. ‘Daar loopt het water te snel langs om veel nuttige ­sporen achter te laten’, zegt De Winter.