De prachtige, kronkelende Bohinj-spoorweg, die Noord-Slovenië met de Adriatische Zee verbindt, is herboren als een populaire toeristische ervaring. De spoorweg werd in de vroege twintigste eeuw aangelegd als deel van een nieuwe strategische hoofdlijn. De spoorweg verloor aan belang na de Eerste Wereldoorlog.

De spoorweg werd door het Oostenrijks-Hongaarse rijk van 1900 tot 1906 aangelegd als deel van een hoofdlijn die Wenen, Praag en München verbond met Triëst, de belangrijkste haven van het Oostenrijks-Hongaarse rijk aan de Adriatische Zee.

Route naar Triëst

Tijdens de Eerste Wereldoorlog voerde de spoorweg het grootste deel van de Oostenrijkse militaire goederen naar het Isonzo-front, het slagveld voor Oostenrijks-Hongaarse en Italiaanse legers. Met de ontbinding van Oostenrijk-Hongarije in 1918 en het isolement van het communistische Joegoslavië na 1945, werd de spoorweg in de loop van de twintigste eeuw minder belangrijk. Maar met de toetreding van Slovenië tot de Europese Unie in 2004, ontdekte de spoorweg een nieuw doel, als een handige passagiers- en vrachtroute van Midden- en Oost-Europa naar de Italiaanse haven van Triëst.

Toeristische route

Nu krijgt de spoorweg een nieuw leven met het oog op toerisme. De spoorweg loopt door de schilderachtige Julische Alpen in het westen van Slovenië. Hij gaat ook doorheen de 6.339 meter lange Bohinj-tunnel, onder de 1,498 meter (4.915 voet) hoge berg Kobla. Wie een trein op deze spoorweg neemt, geniet ook van het zicht vanop de Solkan-brug met zijn 85 meter brede bogen over de Soca-rivier.

Stoomtrein

Toeristen rijden met een stoomtrein mee. Volgens toeristengids Ajda Perko is de sprong in de tijd vooral voor de Japanse toeristen een interessant fenomeen: 'Het is zo vreemd voor hen. We hebben voor Japanse toeristen meer tijd nodig, omdat ze lang willen rondkijken vooraleer ze opstappen. Ze zijn gefascineerd door de kleine stations, de details van de trein en de mensen die nog steeds met de stoomtrein rijden.'