camera closecorrect Verwijs ds2 facebook nextprevshare twitter video

Blijven we Vlaanderen volbouwen of stoppen we de ruimtelijke grande bouffe? Om de discussie tastbaar te maken, bracht De Standaard het voort­kruipende beton over de voorbije halve eeuw in kaart, tot op gemeenteniveau. Een confronterende oefening.

12 voetbalvelden open ruimte weg, elke dag opnieuw

Hoe kwam dit project tot stand? Lees verder onderaan Betonstop of niet? Een doorkijk naar 2050 Lees verder onderaan

Brussel‘Geen land is door de menselijke bezetting zo erg mishandeld als het onze, op dit ogenblik het lelijkste land ter wereld.’ Weergaloos was de analyse waarmee de befaamde architect en stedenbouwkundige Renaat Braem in zijn pamflet ‘Het lelijkste land ter wereld’ afrekende met de verrommeling in zijn geliefde België. Het boekje dateert van 1968. Hij had geen idee van wat er nog zou ­komen.

Voor het eerst brengt De Standaard het oprukkende beton in Vlaanderen in beeld, tot op ­gemeenteniveau, in golven van 1975 tot nu. De kaart toont hoe ­onze gemeenten dichtslibben, hoe verkavelingen en linten naar ­elkaar toegroeien.

Het beeld van die ruimtelijke grande bouffe is confronterend. We verkavelen het land kapot, maar kijken weg van de gevolgen. Een aartsmoeilijke discussie, want dit gaat over ons, over hoe en waar we wonen en leven. We breken daarbij veelzeggende records. Haast nergens neemt de mens ­zoveel ruimte in als hier. We koloniseerden een derde van onze ­oppervlakte om te wonen, te werken, ons te verplaatsen of te ontspannen. Met dat ‘ruimtebeslag’ zijn we koploper in Europa en, op enkele stadstaten na, zelfs van de wereld. 14 procent van ons oppervlak is effectief verhard. Dat is dubbel zo veel als het Europese gemiddelde.

Vlaanderen, een tussengebied

‘Het platteland waar we van dromen, bestaat niet meer. We zijn één grote nevel­stad geworden’ Hoofd Monitoring van het Departement Omgeving

De suburbane woondroom van de Vlaming blijft intact. We ­wonen niet graag te dicht bij ­elkaar in grote steden. ‘Maar het platteland waar we van dromen, bestaat niet meer’, zegt Stijn ­Vanacker, hoofd monitoring van het Departement Omgeving. ‘We zijn één grote nevelstad geworden.’ Uit Europees onderzoek blijkt dat 95 procent van de ­Vlamingen in ‘tussengebied’ woont: niet echt geconcentreerd, niet echt landelijk. Zoals Van­acker het verwoordt: ‘We hebben geen grootstad zoals Parijs, en we hebben ook geen champagnestreek.’

De verkavelingen, linten en verspreide bebouwing waar Braem zich in 1968 druk over maakte, rukten de voorbije halve eeuw pas echt op. Ze vormen het grootste deel van onze woon­oppervlakte, er wonen 1,9 miljoen Vlamingen. De teller staat ondertussen op 13.000 kilometer lint­bebouwing, blijkt uit het Ruimterapport van 2018. Tussen 2013 en 2016 namen we 6,4 hectare open ruimte per dag in, waarvan on­geveer 4 hectare voor wonen. Dat zijn tien voetbalvelden, elke dag opnieuw.

In weerwil van de betonstop die de vorige Vlaamse regering ­afkondigde, werden nieuwe huizen en verkavelingen de voorbije ­jaren vooral gebouwd in linten en op het platteland. We blijven onszelf vastzetten in de nefaste ­spiraal van verspreid wonen die een mobiliteitsshift onmogelijk maakt. 60 procent van de Vlamingen woont niet in verstedelijkt ­gebied, ruim een kwart heeft geen voorzieningen op wandel- en fiets­afstand. Stedenbouwkun­digen roepen al decennia dat we compacter moeten leven en werken om wat rest aan open ruimte te vrijwaren. In werkelijkheid wordt onze ruimtelijke voet­afdruk alleen maar groter. Leefden we in 1985 nog met 36 inwoners per bebouwde hectare – inclusief industrie, wegen of recreatie – dan waren dat er in 2015 nog maar 25.

Een rush door de betonstop

De Vlaamse droom: een volledig huis per gezin, vlak bij wat groen en gebouwd in een lint.  Fred Debrock

Voor wat rest aan open ruimte, lopen de ambities elkaar in de weg. ‘We willen er wonen en ­bedrijven bouwen’, schetst Ann Pisman, hoofd Onderzoek bij het Departement Omgeving. ‘Maar er is ook plaats nodig voor nieuw bos, voor windmolens, voor ­waterinfiltratie. We dromen van paardenweides, maneges en plattelandstoerisme. De schaal van de landbouw neemt toe. Al die claims leiden tot conflicten.’

De bouwwoede begint zich te wreken. In het verharde Vlaanderen raken watertafels moeilijker bijgevuld en neemt het overstromingsrisico toe. Koppels die zich in de jaren 70 en 80 nestelden in verkavelingen, stellen bij het ­ouder worden vast dat ze ver ­wonen van alle voorzieningen. Het huis dat hun pensioenspaarpot moest worden, beantwoordt niet aan de huidige energie­normen. Ze krijgen het vaak niet meer verkocht.

Onze verspreide manier van wonen wordt disfunctioneel, zegt professor ruimtelijke planning Tom Coppens (UA). ‘Het hypothekeert een doortastend klimaat- en luchtkwaliteitsbeleid. Het aantal autokilometers per Vlaming blijft toenemen. De infrastructuurkosten voor wegen of rioleringen worden te hoog. Je organiseert chaos.’ Telkens weer zit de angel bij ons woonmodel. Vijftig jaar geleden al schreef Braem: ‘Het gaat om veel, het gaat eigenlijk om ­alles.’

‘De verhandelbare bouwrechten worden vaak als wit konijn uit de hoed getoverd, maar onderzoek toont aan dat het succes erg gering is’ Tom Coppens Professor Ruimtelijke Planning Universiteit Antwerpen

Het besef daagt dat een kentering nodig is. Alleen durft geen politicus te raken aan de Vlaamse woondroom. Bij de gecontesteerde betonstop die de vorige Vlaamse regering aankondigde, hoorde een belangrijke grafiek: het beslag op open ruimte moest geleidelijk afgebouwd worden tot 3 hectare in 2025 om uit te doven tegen 2040. Het betekende dat we nog een kleine helft van de resterende 50.540 hectare bouwgrond konden innemen, industrie inbegrepen. Maar door niet duidelijk te stellen waar wel en waar niet meer gebouwd zou mogen worden, veroorzaakte de betonstop paniek. Er kwam een rush op bouwgronden, waardoor we niet langer 6,4 maar 7,3 hectare open ruimte per dag innemen. Terwijl we volgend jaar aan 4,5 hectare hadden moeten zitten.

De regering-Jambon blaast warm en koud. In het regeer­akkoord staat dat ze vasthoudt aan de principes van het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen van de vorige regering. Maar de betonstop heet nu ‘bouwshift’. Het doel is nog steeds om de ruimte-in­name tegen 2040 gradueel te verlagen. Hoe we dat zullen doen, is onduidelijk.

De bevoegde minister, Zuhal Demir (N-VA), laat weten dat ze het afbouwscenario met de tussentijdse doelstelling voor 2025 ‘zal blijven nastreven’. Ze wil ­watergevoelige bouwgronden in woonuitbreidingsgebied schrappen in het gewestplan, als de eigenaars gecompenseerd worden. Daarmee komt ze aan 600 hectare, wat mijlenver is van de 28.000 hectare die we moeten schrappen als het ons menens is met het ­afbouwscenario.

Creatieve boekhouding

 Met ons ‘ruimte­beslag’ – we koloniseerden een derde van onze oppervlakte – zijn we koploper in Europa, en op enkele stad­staten na zelfs van de wereld

Demir spreekt over ‘slimme groei’. Ze wil ook proefprojecten opstarten voor verhandelbare bouwrechten, om Vlamingen te overtuigen hun slecht gelegen bouwgronden in te ruilen voor een betere optie in een kern. De vraag is of dat, gezien de huidige toestand in Vlaanderen, zal volstaan. ‘De verhandelbare bouwrechten worden vaak als wit ­konijn uit de hoed getoverd, maar internationaal onderzoek toont aan dat het succes erg gering is’, zegt Tom Coppens. ‘Een expertenteam heeft voor de ­administratie deze piste onderzocht en weinig kansrijk bevonden.’

Creatieve boekhouding helpt om geen harde keuzes te moeten maken. De regering wil sleutelen aan de definitie van ‘ruimte­beslag’. Voetbalvelden, parken of kleinere recreatieterreinen zouden eruit gehaald worden, waardoor de ruimte die we innemen in de boekhouding daalt. Dat geeft kansen om nieuwe gebieden aan te snijden, zonder dat het ruimtebeslag in de cijfers toeneemt.

‘De ruimtelijke verrommeling aanpakken en meer open ruimte vrijwaren is een van de grootste uitdagingen van Vlaanderen’, geeft Demir toe. ‘Dat is een problematiek die je niet in een paar jaar tijd opgelost krijgt. Daarvoor is draagvlak belangrijk en dat vergt tijd.’ Ondertussen tikt de teller. Een blik op de digitale kaart zet een prangende vraag op scherp: hoeveel beton willen we nog in Vlaanderen?

Hoe snel werd uw gemeente volgebouwd? Klik hier om de kaart te bekijken.

Hoe kwam dit project tot stand?

De Standaard deed een poging om voor het eerst tot op gemeenteniveau de bouwwoede in Vlaanderen in kaart te brengen, in golven tussen 1975 en 2015. Het basismateriaal van de kaarten komt van de Global Human Settlement Layer die door het onderzoeks­centrum van de Europese Commissie werd afgeleid van satellietbeelden uit verschillende periodes. Het toont de ruimte die is ingenomen door bebouwing, in pixels van 30x30 m². De pixels vertaalden we naar percelen, op basis van het kadaster.

Wat wordt weergeven op de kaart, zijn de ‘bebouwde percelen’, waar een gebouw voorkomt of een grote mate van verharding. Volledige percelen tonen, inclusief tuinen en parken, is ­relevant omdat de discussie gaat over de poot die we als mens zetten op de open ruimte, en niet alleen over het verzegelde deel daarvan.

De input voor de inter­actieve kaarten kwam van Lien Poelmans, Lorenz Hambsch en Inge Uljee van Vito. (ire)

Betonstop of niet? Een doorkijk naar 2050

Voeren we een betonstop in of blijven we open ruimte aansnijden? De Vlaamse ­Instelling voor Technologisch Onderzoek (Vito) ­simuleerde wat beide zouden betekenen. Als we alle harde ­bestemmingen volbouwen, slibben de haar­vaten van Vlaanderen verder dicht. Dan bouwen we tegen 2050 nog een dikke 50.000 hectare bij, of 2,5 keer de oppervlakte van groot-Antwerpen. Daarvan gaat ongeveer 30.000 hectare naar wonen. In het ­geval van een beton­stop, waarbij de verdere ­inname van open ruimte ­tegen 2040 geleidelijk naar nul gaat, wordt in totaal nog ­ongeveer 25.000 hectare gebouwd. Ook dan verdwijnt nog een substantieel deel van de open ruimte.

Momenteel zitten we in het ‘volbouwscenario’. Daarbij bouwen we niet op de meest ideale locaties. Wat rest aan bouwgronden, ligt voor een groot deel in ­landelijk gebied, in woonlinten of in woonuitbreidingsgebied. Toch houdt de Vlaamse Confederatie Bouw, de koepel van de bouwondernemingen, eraan dat we die gronden effectief aanboren. ‘Als je in die ­voorraad schrapt, creëer je schaarste en zullen de grond­prijzen te hard stijgen’, zegt directeur-generaal Marc Dillen. ‘Dat moeten we vermijden, als we wonen betaalbaar willen houden. Ruimtelijk zal het niet zoveel uitmaken. Of we nu 20.000 hectare extra ­woningen bouwen of 40.000: ga je dat verschil echt zien in Vlaanderen?’

De bitse discussie die de koepel voert met stedenbouwkundigen, gaat over de vraag of je nieuwe huishoudens nog massaal naar verse bouwgronden moet loodsen. ‘Er zijn voldoende opties in de kernen’, stelt Tom Coppens (UA). ‘En we springen niet efficiënt om met het bestaande patrimonium. ­Oudere mensen blijven te lang in een te groot huis ­wonen. 70 procent van ­onze huizen is ­onder­bewoond. Je moet meer beweging krijgen binnen de bestaande ­bebouwing, in plaats van altijd nieuwe gronden aan te snijden.

Ontwikkelaars zijn alvast op de kar van de verdichting gesprongen. ‘We bouwen veel compacter dan vroeger’, zegt Dillen. ‘Kleinere huizen, kleinere tuinen. Dat doen we ook in de kernen. We slopen oude woningen en zetten ­appartementen in de plaats.’

Maar dat betekent niet dat de inname van open ruimte vanzelf stilvalt. ‘Als de droom van het huis in het groen jonge gezinnen naar het platteland blijft lokken, kan er nog voldoende vraag zijn om de hele voorraad in het gewestplan op te sou­peren’, denkt Lien Poelmans van Vito. (ire)

Een simulatie van dit scenario op kaart, vindt u op standaard.be/betonwoede/toekomst

De podcasts van De Standaard