The Chats: punk met de nonchalance van een nektapijt
Foto: Koen Bauters
Waarom zou je in de regen gaan staan, als je je ook gewoon in het zweet kon springen en schreeuwen? The Chats deden het voor, de hele Lift volgde.

We nemen het woord legendarisch niet snel in de mond, maar voor de opkomst van The Chats zaterdagavond in de Lift maken we een uitzondering. Op de tonen van Bill Conti’s ‘Gotta fly now’, het thema van Rocky, stapten de Australische punkers het podium op, en wel met een combinatie van arrogantie en nonchalance die we hen benijdden: de ene moest zijn schoenen nog aantrekken, de andere zijn t-shirt nog uittrekken en de derde leek even vergeten hoe te drummen.


The Chats, dat zijn zanger en bassist Eamon Sandwith, gitarist Josh Price en drummer Matt Boggis. Op minder dan vijftig minuten ramden ze de Lift achttien nummers door de strot. En het publiek? Dat ramde gewoon mee. Vanaf het eerste nummer vloog het bier door de lucht, vanaf het tweede veranderde de zaal in een hossende, moshende massa. Sandwiths vertrokken gezicht liep rood aan, zijn halsslagader klopte vervaarlijk en zijn roste nektapijt werd elk nummer natter en plakkeriger. Geen zicht, zou je denken, maar wat maakt dat eigenlijk uit?


Met ‘Bus Money’ en ‘Do what I want’ scheerden The Chats hoge toppen, maar het was ‘Smoko’, een nummer over de hun inziens heilige, helende minuten van een rookpauze, waar de fans op wachtten. ‘I’m on smoko, so leave me alone’, schreeuwden ze als met één stem. Na een geweldig ‘Pub feed’, een ode aan het vettige voedsel dat je in je gezicht wil duwen na een avond drinken, zagen we enkel uitpuilende ogen, openhangende monden en bezwete haren. Maar schijn bedriegt: niets maakt je zo wakker als een optreden lang springen en schreeuwen, daar kan geen enkele kop koffie tegenop.


Snel, smerig en spannend, zo zullen we ons de passage van The Chats herinneren. En als u ons nu wilt excuseren, wij nemen een smoko.