Slipknot. Een explosie van pijn en plezier
Slipknot Foto: koen bauters
We zijn het ondertussen gewend, maar dat uitgerekend Slipknot zo’n gigantisch publiek op de been weet te brengen, blijft een breuk met de wetten van de fysica en de menselijke aard. Slipknot blijft een compromisloos harde band.

Hoewel alle drie de Graspop-dagen uitverkocht zijn, was de zaterdag de eerste die het “Sold out”-bordje aan de etalage mocht hangen, en dat had alles te maken met Slipknot. De ganse dag al zagen we tussen het publiek jonge kerels hun masker passen (er liep zelfs een groepje fans rond in de rode jumpsuits van hun eerste album, allemaal met het bijhorende masker, die met iedereen die wilde op de foto gingen). Uren voor de show begon, was er in de eerste helft van de festivalwei al geen doorkomen meer aan. Wie vooraf nog een concert in de Marquee wilde meepikken begon zich best een halfuur op voorhand al een weg ernaartoe te banen, en als hij daarna ook nog Slipknot wilde zien, maakte hij best halverwege al rechtsomkeer.

Het was eraan te zien dat de band evenveel goesting had als hun publiek. Nauwelijks was de intro weggestorven of ze beten ons met een toepasselijk People=Shit toe hoe graag ze ons zagen. (Sic) en Get this, allebei uit de jarige debuutplaat (twintig! Jee!), denderden erachteraan. Na drie dergelijke klassiekers loopt ieder nieuw nummer het risico om bleek af te steken, maar het spreekt voor de vitaliteit van de groep dat Unsainted, de eerste single uit het binnenkort te verschijnen ‘We are not your kind’, even luid meegebruld werd als de rest. Zanger Corey Taylor liep te likkebaarden achter zijn nieuwe masker (dat opmerkelijk minder grellig is als eerdere), en kon er niet over ophouden hoe blij dat hij was dat hij eindelijk nog eens in Dessel was. 

We zijn het ondertussen gewend, maar dat uitgerekend Slipknot zo’n gigantisch publiek op de been weet te brengen, blijft een breuk met de wetten van de fysica en de menselijke aard. Er is een tijd geweest dat een metalband, wilde hij doorbreken bij een breed publiek, ietwat radiovriendelijker moest gaan klinken, liefst met een ballad als glijmiddel. Zelfs bij Metallica was dat nog het gouden recept. Maar Slipknot blijft een compromisloos harde band, met songs die, als je er voor de eerste keer naar luistert (en de tweede en de derde keer ook nog), als een waanzinnige chaos overkomen. Vergelijk dat met Slayer, de headliner van vrijdag: ook een extreme band met agressieve songs, maar die zijn eenduidig, rechtlijnig, ze snellen rechtdoor naar een duidelijk doel. Bij Slipknot klinken de songs zoals hun concerten eruitzien: “Je dacht dat je een melodie hoorde, maar haha. Waar gaan die drums naartoe? Negeer de clown. Ik kan ook lief zijn als je wil. He, kijk daar, een heks!”

Dé belofte van de metal was altijd dat ze, beter dan andere muziekgenres, de zwartste menselijke aandriften een plaats kon geven; dat ze de pijn en de angst en de woede en de zelfhaat waar ieder mens mee worstelt, kan sublimeren in kunst, een kunst die even uitzinnig, even onaangepast, even afstotelijk is als de condition humaine waar ze haar inspiratie uit put. Slipknot is een band die die aloude belofte op een geheel nieuwe wijze inlost. De pijn die in de muziek wordt uitdrukt, is haast tastbaar (en nu nog meer dan anders, aangezien iedereen in het publiek wist dat Shawn ‘Clown’ Crahan recent zijn dochter verloren heeft). Maar sleep die pijn op een podium, stop ze achter een masker en geef ze een gitaar om te mishandelen, en ze transformeert zichzelf in een explosie van plezier.