‘Koopkracht neemt met 5,2 procent toe door beleid Michel I’
De gemiddelde koopkracht van het Belgische gezin neemt toe. Foto: Photo News

Het beleid van de regering-Michel zorgt voor een stijging van de koopkracht van Belgische gezinnen van 5,2 procent, stelt een studie. Maar die toename is wel ongelijk verdeeld, en kost veel geld.

‘Het beleid doet er wel degelijk toe’. Dat schrijft een groep academici van de KU Leuven en UAntwerpen onder leiding van professor André Decoster in een nieuwe studie, die net werd gepubliceerd in de Leuvense Economische Standpunten. Het neemt de gevolgen van het beleid van de regering Michel I onder de loep.

Volgens de onderzoekers stijgt de koopkracht van het gemiddelde Belgische gezin tussen 2014 en 2020 met 5,2 procent. Dat is het gevolg van de taxshift, met daarin onder meer de verhoging van de forfaitaire aftrek voor beroepskosten, het afschaffen van het 30 procent-tarief en het verhogen van de belastingvrije som.

Gemiddeld gaat elke Belg erop vooruit, maar de ene al wat meer dan de andere. De grootste vooruitgang is er voor de bovenste helft van de inkomens. ‘Dit is een gevolg van de focus van de regering om in te zetten op het verlagen van de belastingen op werkenden’, klinkt het. Het zesde tot het negende deciel waarin de bevolking in de studie wordt ingedeeld - het ‘rijkere’ deel - ziet zijn koopkracht tussen de 5,7 en 6,8 procent stijgen. In het tweede deciel daarentegen, ging het om een toename van maar drie procent. In de lagere decielen zitten veel meer niet-werkenden, zieken en gepensioneerden. Ze bevatten ook meer gezinnen met kinderen. Het allerlaagste deciel ziet, door enkele sociale correcties, zijn koopkracht sterker stijgen dan decielen 2 tot en met 5.

Het beleid leidde echter ook tot enkele hogere kosten, zoals hogere BTW- en accijnzen, of de niet-indexatie van de Vlaamse kinderbijslagen. Die hebben volgens de onderzoekers ‘een duidelijk negatief effect op alle inkomensgroepen’, en dan vooral op de lagere inkomensgroepen. In het laagste deciel gaat het om een daling van de koopkracht met 1 procent.

De onderzoekers merken ook op dat de effecten van de verhoging van accijnsverhogingen ‘een onderschatting zijn’, omdat schadelijke producten zoals alcohol en tabak systematisch worden ondergerapporteerd in budgetenquêtes.

Maar zelfs met die negatieve elementen gaat de koopkracht van de Belgische gezinnen er wel degelijk op vooruit, klinkt het.

Dat wil echter niet zeggen dat élke Belg erop vooruit gaat, merkt onderzoeker Toon Vanheukelom op. 'We tonen alleen de gemiddelde effecten voor de decielen', zegt hij. 'Het kan perfect zijn dat iemand die bijvoorbeeld heel veel met de wagen rijdt, er netto op achteruit gaat. En al zeker als die persoon uitkeringsgerechtigde is.'

Werken aantrekkelijker

Door zo in te zetten op de lastenverlagingen voor werkenden heeft de regering bovendien werken aantrekkelijker gemaakt, klinkt het. Zo is de zogenaamde ‘participatie-aanslagvoet’ gevoelig gedaald. Concreet wil dat zeggen dat iemand die gaat werken almaar meer netto-inkomen heeft dan iemand met dezelfde kenmerken die niet werkt. Een participatie-aanslagvoet van 80 procent bijvoorbeeld, wil zeggen dat een werkende slechts 20 procent meer inkomen heeft dan een niet-werkende.

Tussen 2014 en 2018 nam die af van 71,4 naar 68,5 procent. En bij de tien procent laagste lonen is het effect nog groter: 76,5 procent naar 69,8 procent. Afgezet tegenover 1992 wordt de reductie voor de laagste lonen zelfs als ‘spectaculair’ omschreven: van 92,3 naar 69,8 procent in 2020. Kernboodschap daar is: werken wordt zo almaar aantrekkelijker, vergeleken met niet werken.

Hoge kost

Maar aan dat beleid hangt wel een kostenplaatje. De netto-impact van de beleidswijzigingen worden door de studie becijferd op 5,49 miljard euro. ‘Dat is beduidend meer dan de budgettaire kosten van de maatregelen genomen onder de regeringen Verhofstadt I en II’, klinkt het. ‘Het maakt ook bijna de helft van de besparingen ongedaan die werden gerealiseerd onder de regeringen Dehaene I en II. De sterke verbeteringen van de werkincentieven zijn dus gepaard gegaan met een substantiële budgettaire kost. De overheid betaalt de factuur voor de verhoging van de gezinsinkomens.’

Aanvulling (13/02/2019)

De koopkrachtstijging van 5,2 procent waarvoor de regering-Michel verantwoordelijk zou geweest zijn, is gebaseerd op een rekenfout. Het correcte cijfer is 3,5 procent, laat de KU Leuven weten in een nieuwe versie van de studie. De correcte cijfers vindt u hier.