Afschaffing zomer/wintertijd niet voor volgend jaar
Foto: REUTERS

Jean-Claude Juncker had voorgesteld om in 2019 komaf te maken met de halfjaarlijkse uurwijziging. Die timing blijkt niet haalbaar.

Na een bevraging deze zomer in de 28 EU-lidstaten stelde de Europese Commissie eind augustus voor om de wisseling van zomer- en wintertijd voor de hele Europese Unie af te schaffen. ‘De mensen willen het, wij doen het’, was de boutade van Commissievoorzitter Jean-Claude Juncker.

De lidstaten zouden elk apart de vrijheid krijgen om voor het zomer- of winteruur te kiezen, maar zouden dat voor eind april moeten uitmaken. Landen die voor eeuwige wintertijd zouden kiezen, zouden dan in oktober 2019 een laatste keer de klok verzetten.

Maar die vlieger gaat niet op. Alleen Finland en Litouwen steunen de piste van de Commissie nog. De andere EU-lidstaten, waaronder België, dringen aan op meer tijd.

Oostenrijk, de tijdelijke voorzitter van de EU, stelt voor om de tijd te nemen tot maart 2021. ‘We zullen een compromis moeten vinden, want de meeste lidstaten hebben reserves over de verandering van het systeem in 2019’, zei de Oostenrijkse minister Norbert Hofer, die de vergadering voorzat. België steunt die timing.

 

Het blijkt technisch meer voeten in de aarde te hebben dan gedacht. Zo liet de luchtvaartindustrie volgens Hofer weten dat er achttien maanden nodig zijn om een feilloze overgang voor te bereiden. Denemarken wil eerst een nationale overlegronde organiseren over de kwestie.

Luxemburg is dan weer bang dat zijn buurlanden een verschillende keuze zouden maken, wat ‘catastrofaal’ zou zijn voor de economie. Die bekommernis leeft ook sterk bij de Belgische premier Charles Michel (MR) en de Vlaamse minister-president Geert Bourgeois (N-VA). Ook Hofer benadrukte dat ‘we een lapwerk aan verschillende tijdzones in de EU moeten vermijden’.