camera closecorrect Verwijs ds2 facebook nextprevshare twitter video

Flamencolessen georganiseerd door Peña Andaluza (boven), Moederdag bij club Peñarroya Gert Verbelen

Correspondent ‘Apartheid’

De vurige Spaanse gemeenschap vormt een trots deel van Vilvoorde, evengoed drukt de stad haar adoptiekroost aan de borst. Maar het is niet altijd fiesta y sonrisa.

Los hijos adoptados de Vilvoorde*

VilvoordeZondag 6 mei, Moederdag in Spanje en dus ook in een deel van Vilvoorde. Alsof Dios zich ermee gemoeid heeft, schijnt een zuiderse zon. Geluk­zalig waaieren de vrouwen zich koelte toe in het Centro Andaluz Cultural y Deportivo (C.A.C.D) Peñarroya. Voorzitter José ‘Pepe’ Frias Moreno beklimt het podium om de moeders letterlijk in de bloemetjes te zetten. ‘Voor Spanjaarden zijn moeders alles’, lacht hij.

Van de twee miljoen Spanjaarden die tijdens de Spaanse burgeroorlog (1936-1939) en na de Tweede Wereldoorlog hun land verlieten, streken er zo’n 2.000 in Vilvoorde neer. Vandaag hebben nog ruim 1.200 van hen de Spaanse nationaliteit, een veelvoud heeft Spaanse roots. Veelal liggen die in Peñarroya-Pueblonuevo, een voormalig mijnwerkersdorp in Andalusië. Naar verluidt zijn er ook een stuk of twee Catalanen maar – zo zweert men plechtig – ‘het zijn geen independistas.’

Waar ze ook neerstreken, de Spanjaarden verenigden zich. Het regime van generaal Franco ondersteunde de oprichting van clubhuizen, die officieel ‘recreatief’ en ‘apolitiek’ waren. De documentaire ‘Nos fuimos, Peñarroya-Bélgica’ (Canal Sur) toont hoe Franco de Spaanse migranten trakteerde op concerten en andere afleiding ‘opdat ze zo veel mogelijk geld naar huis zouden sturen.’ Van de weeromstuit stampten opponenten her en der antifranquistische clubs uit de grond.

Liberalen en socialisten

‘We hebben elk onze activiteiten, maar 60 à 70 procent van de Spaanse Vilvoordenaars is lid van beide clubs, hoor’ Jose Frias  Voorzitter C.A.C.D. Peñarroya

Ook in Vilvoorde waren er twee van die clubs. In 1963 zag Peña Andaluza het levenslicht (toen nog ‘Hogar Español Vilvoorde’), later volgde het Centro Andaluz Cultural y Deportivo (C.A.C.D) Peñarroya. Elk heeft zijn eigen activiteiten. De tent op de jaarmarkt is die van Peña Andaluza, de Fiesta Rociera tijdens het Pinksterweekend van C.A.C.D. Peñarroya. Alsof het territorium netjes verdeeld moest worden. ‘Maar neen, we hebben een goed contact’, benadrukt ­Frias. ‘Zestig à zeventig procent van de Spanjaarden is trouwens lid van beide verenigingen.’

Rivaliteit is dus allicht overdreven, maar er is best wel wat concurrentie. Ook vandaag nog draagt de Peña Andaluza de reputatie mee veeleer ‘liberaal’ te zijn, de C.A.C.D. Peñarroya heeft een socialistisch etiket – ze zitten in het vroegere Volkshuis, de zoon van Pepe is medewerker van burgemeester Hans Bonte (SP.A).

‘Onze vereniging is altijd apolitiek geweest’, benadrukt Juan Sánchez, de voorzitter van Peña Andaluza. ‘De eerste jaren hebben we inderdaad wat subsidies gekregen uit Spanje, maar politiek heeft hier nooit een rol gespeeld. Omdat de taal niet evident was, verenigden de eerste migranten zich om steun bij elkaar te zoeken en hun tradities te eren. Maar intussen zijn er heel veel gemengde huwelijken en hebben we allemaal evengoed niet-Spaanse vrienden. Bij ons in de club is iedereen welkom.’

Op zoek naar jongeren

Sánchez heeft een zachte stem en praat feilloos Nederlands. Net als Frias, ontvangt hij ons uiterst warm en hartelijk. De Spanjaarden gelden als de best geïntegreerde gemeenschap in de Zennestad. De oorspronkelijke Vilvoordenaars vinden de weg naar de Spaanse clubs, cafés en winkels, net als naar de Fiesta Rociera. Denk: een mis in het Spaans, een processie met de Heilige Maagd del Rocío, gitaren, flamencodanseressen, sardines en chorizo a la plancha.

‘Het is officieel erkend als Vilvoords feest’, zegt Pepe Frias trots. Vilvoorde doet veel voor haar Spaanse adoptiekinderen. In 1997 werd een jumelage aangegaan met Peñarroya-Pueblonuevo, de stad stelt ook de clublokalen ter beschikking. ‘We hebben een heel goede band met het stadsbestuur, dat doet deugd.’

Beide clubs kampen dezer dagen met een groot probleem: ze slagen er niet in hun bestuur te verjongen. Sánchez: ‘Als we ons voortbestaan willen verzekeren, móéten we verjongen. Maar het is allerminst evident. De jeugd is niet geïnteresseerd om vrijwillig de tradities te onderhouden.’ Ook aan de overkant kampen ze met dat probleem, geven Frias en Juan Antonio Lopez Nolasco toe. ‘Het wordt elke dag moeilijker om dit te onderhouden.’ Hebben de jongeren minder voeling met hun Spaanse identiteit? Pepe Frias haalt zijn schouders op. ‘Dat hangt ervan af. Mijn oudste zoon dweept veel minder met de Spaanse idealen. Maar mijn jongste is dan weer een echte romanticus.’

‘Als we ons voortbestaan willen verzekeren, moéten we verjongen. Maar het is niet evident en het baart ons zorgen’ Juan Sánchez Voorzitter Peña Andaluza

Een jaar of vijftien geleden werd een poging ondernomen om de clubs te fuseren, maar uiteindelijk sprongen de plannen af wegens té grote onenigheid. Een nieuwe fusiepoging is vandaag niet aan de orde, laten beide clubbesturen duidelijk verstaan.

Waar is thuis?

Een en ander is tekenend voor de zoektocht die de Spaanse gemeenschap vandaag opnieuw doormaakt. Hoe gepassioneerd hun Spaanse harten ook kloppen, ze zijn of worden steeds meer Belg. De derde en vierde generatie spreekt al niet meer zo goed Spaans – vroeger organiseerde de Spaanse ambassade taallessen in Vilvoorde, maar door gebrek aan belangstelling stierf dat initiatief een stille dood.

Sommige ouderen hebben heimwee en willen terugkeren. Zo ook Pilar Ibañez, die in het bestuur van Peña Andaluza zit. In de docu ‘Nos fuimos, Peñarroya-Bélgica’ is te zien hoe dat terugkeren – volver in het Spaans – niet altijd van een leien dakje loopt. ‘Ik heb er geen schrik van. Een deel van mijn familie woont er, ik zie mezelf daar ouder worden.’

Sommigen hebben de Spaanse nationaliteit, anderen de Belgische. Sommigen vóélen zich meer Spaans, anderen Belgisch. De eerste groep twijfelt soms tussen terugplooien op zichzelf, of mee-evolueren met de stad. Dat vraagt inspanningen. Italianen of Portugezen sluiten makkelijk aan, maar met de Marokkaanse gemeenschap hebben ze minder contact.

Zit het geloof in de weg? Frias: ‘Het klopt dat we over het algemeen wat katholieker zijn, zeker de vrouwen, maar wij zijn geen pilaarbijters. De Virgen del Rocío draait ook om plezier maken.’

En feesten, dat kunnen ze nog altijd als de besten. Dan zetten ze hun zorgen opzij en dansen ze tot een stuk na middernacht.

* De adoptiekinderen van Vilvoorde

Remy Esquiliche

‘Ik droom van één Spaanse fusieclub’

Remy geeft samen met zijn vriendin flamencolessen in het Tuchthuis. ‘De jongeren die hier komen dansen, zijn tweede-, derde- of zelfs vierdegeneratiemigranten. In de week hebben ze gewone hobby’s, in het weekend komen de roots naar boven.’

Remy is verknocht aan zijn Spanje, aan flamenco én… aan de politiek. ‘Ik ben actief bij Jong VLD, vandaar dat ik ook eerder bij Peña Andaluza thuishoor dan bij C.A.C.D. Peñarroya. Ik vind die opdeling wel jammer. Ik droom van één fusieclub, met een jong bestuur dat de Spaanse tradities doorgeeft. Want die staan als een huis.’

Gilbert De Cock

‘Vriendelijker dan de Marokkanen’

‘Mijn vrouw en ik zijn via onze zoon in de Spaanse gemeenschap terechtgekomen’, vertelt Vilvoordenaar Gilbert De Cock. Zijn zoon ging als jongen voetballen bij Peñarroya en is nooit meer weggegaan. ‘En nog altijd spreken we geen drie woorden Spaans’, lacht Gilbert. ‘ en gracias, dat is het. Op Gran Canaria heb ik dit T-shirt gevonden, met een Vlaamse Leeuw en een Spaanse vlag – ik heb er direct een paar voor hen gekocht.’ (lacht) 

Zijn de Spanjaarden een verrijking voor Vilvoorde? Dát is een brug te ver. ‘Maar ze zijn welkom. Ze zijn intussen goed geïntegreerd. En vriendelijk. Vriendelijker dan de Marokkanen, met hen verloopt het contact afstandelijker.’

Josefa Barquero

‘Wij eten nu ook om 19 uur, net als de Belgen’

‘Toen ik tien jaar was, ben ik vanuit Peñarroya naar Vilvoorde verhuisd’, vertelt Josefa. De kokette Spaanse zit met haar man op het terras van De Ster. Ook hij komt uit Andalucía. ‘Wij hebben elkaar hier op school leren kennen, intussen hebben we kinderen en kleinkinderen. We hebben nog altijd de Spaanse nationaliteit. Maar ik voel me toch meer Belg, eigenlijk. Ik merk al van mezelf dat ik mij soms stoor aan het feit dat Spanjaarden zo veel en zo luid praten.’ (lacht) Wij eten ’s avonds om 19 uur, net zoals de Belgen, wij praten alleen thuis Spaans. Sommige Spanjaarden willen teruggaan als ze met pensioen zijn, maar ons leven is hier.’ 

Juan Doñoro

‘Nooit een andere taal dan Spaans gesproken’

Juan is 86, zijn vrouw 84. Ze zijn al 70 jaar samen, en bijna 60 jaar getrouwd. ‘En ik hou van haar als op de eerste dag’, verklaart hij, zoals alleen Spanjaarden dat kunnen. Als twintigers migreerden ze naar Vilvoorde, met een baby van zeven maanden oud. ‘In Spanje werkte ik op het veld in loondienst. Maar het Franco-regime was niet mild voor mensen als ik. Een broer van mijn vrouw was hier al. We zijn ook naar hier gekomen. Op mijn 56ste ben ik met vervroegd pensioen gegaan, toen de fabriek in Vilvoorde sloot.’ 

Hij heeft nooit Frans of Nederlands geleerd, geeft Juan toe. ‘Mijn kinderen wel, natuurlijk. In de fabriek maakten we dingen met handen en voeten duidelijk. We hadden toch eigenlijk geen tijd om te babbelen.’

De podcasts van De Standaard