‘Niet pamperen, maar verantwoordelijkheid geven’
Een vlag van Islamitische Staat wordt naar beneden gehaald. Foto: blg
Het Platform Allochtone Jeugdwerkingen (PAJ) is bijna twintig jaar actief in Antwerpen. Sinds 2016 doet de vzw via het proefproject ‘Our Pact’ (Pact staat voor ‘positive action changes things’, red.) ook aan deradicalisering – zonder het te benoemen. Met geld van district Antwerpen begeleiden Saida El Fekri en haar team jongens en meisjes die hun plek niet vinden.

‘Het gaat bijna altijd over jongeren die geen perspectieven zien. Ze zitten voortdurend aan de computer en alleen daar voelen ze zich mans genoeg om stoer te doen. Hun wereld is zó klein, hun kennis van de islam ontstellend beperkt. Het spreekt voor zich dat ze kwetsbaar zijn voor ronselaars.’

Bij het PAJ krijgen de jongeren een traject, hoewel El Fekri zich hoedt om het woord uit te spreken. ‘We activeren ze, we trainen ze, terwijl ze het niet beseffen.’ Jongeren worden uitgenodigd om workshops te volgen én te geven: conflictbeheersing, assertiviteit, sociale vaardigheden, en heel subtiel worden gaten geprikt in hun extremistische gedachtegoed.

‘We werken met open en gesloten dialoogmomenten’, zegt de PAJ-bezielster. ‘Voor de ideologische kwesties doen we een beroep op islamitische theologen, voor al de rest zorgt ons multidisciplinair team. We proberen hun wereld zo breed mogelijk te maken. Oordelen niet, maar bieden een luisterend oor. Onze visie is: niet pamperen, maar verantwoordelijkheid geven.’

Zo mogen de jongeren de PAJ-lokalen gebruiken en ’s avonds zelf afsluiten. Zij krijgen dat vertrouwen tot ze het beschamen, niet omgekeerd. Saida El Fekri: ­‘Humor is enorm belangrijk. Als zo’n jongere ineens begint mee te lachen, weet je dat er een eerste mijlpaal is bereikt. Vaak duurt het nadien niet lang voor ze hun kleding aanpassen aan de dominante groep en zélf grapjes beginnen te maken. Natuurlijk is niet elk geval een succesverhaal, maar ­alles begint bij een zinvolle invulling van hun leven. Je kunt hen niet wegrukken van IS en niets in de plaats geven.’