‘Wie denkt dat alle zelfstandigen goed hun brood verdienen, denkt beter twee keer na’
Foto: Sebastian Steveniers

Bijna een op de zes zelfstandigen in hoofdberoep had in 2016 een inkomen dat lager ligt dan de Europese armoededrempel, 1115 euro per maand. Dat cijfer is de afgelopen tien jaar amper geëvolueerd. Dat blijkt uit een analyse van het Neutraal Syndicaat voor Zelfstandigen.

In 2006 bevonden 15,7 procent van de zelfstandigen in hoofdberoep zich onder de armoededrempel. Tien jaar later is er amper iets veranderd: 15.3 procent van alle zelfstandigen verdient minder dan 1115 euro per maand. ‘Wie denkt dat alle zelfstandigen goed hun brood verdienen, denkt beter twee keer na’, reageert NSZ-voorzitster Christine Mattheeuws.

NSZ merkt nog te veel zelfstandigen elementaire financiële kennis ontberen om hun zaak naar behoren te runnen. Toch is dat niet de grootste oorzaak. ‘De verantwoordelijkheid hiervoor ligt voor een groot stuk bij het ontbreken van een degelijke sociale bescherming voor zelfstandigen in moeilijkheden’, aldus Mattheeuws.

Hoewel zelfstandigen sinds 1 januari 2017 een uitkering kunnen krijgen via het overbruggingsrecht wanneer ze hun zaak moeten stopzetten omwille van economische moeilijkheden, zijn de voorwaarden volgens Mattheeuws te streng.

‘Enerzijds blijft dit recht te onbekend maar anderzijds zou het niet meer dan fair zijn dat alle zelfstandigen recht hebben op een werkloosheidsuitkering, ongeacht of ze, net als bij werknemers, veel of weinig inkomsten hadden.’

‘Vanaf dag één een uitkering’

De ondernemersorganisatie stelt ook vast dat ziekte en arbeidsongeschiktheid heel wat zelfstandigen naar armoede leidt. Zelfstandigen krijgen tijdens de eerste maand arbeidsongeschiktheid helemaal niets en vanaf de tweede maand een forfaitaire uitkering die losstaat van hun eerder verdiende inkomsten. ‘Wie arbeidsongeschikt wordt als zelfstandige moet vanaf dag één een uitkering krijgen in functie van het eerder verdiende inkomen’, vat de NSZ-voorzitter samen.

De inkomsten van de zelfstandigen die gebruikt worden in de analyse betreffen de bruto beroepsinkomsten, verminderd met de beroepsuitgaven en de beroepslasten. Dat is te vergelijken met het nettoloon van werknemers.