‘Het is niet omdat ik een burn-out heb, dat ik als een uitgewrongen vod uit het raam zit te staren’
Foto: Photo News

Voor sommigen kan de zomer niet snel genoeg voorbij zijn. De Standaard gaat op zoek naar mensen die hopen dat het volgend jaar beter gaat. Deze week: Stéphanie (26) viel in mei flauw op haar werk en kreeg een uur later van de dokter te horen dat ze een burn-out heeft.

‘Wat wil je van mij weten’, vraagt Stéphanie onomwonden wanneer ze de telefoon opneemt. Ik aarzel net te lang, want ze doorprikt de ongemakkelijke stilte zelf: ‘Het is niet omdat ik een burn-out heb, dat ik hier als een uitgewrongen vod uit het raam zit te staren en dat ik niet meer assertief ben hoor. Iedereen behandelt me alsof ze me met het minste woord omver kunnen blazen. Alstublieft zeg. Stel gewoon je vragen.’

Deadline

‘Je wil vast weten hoe het allemaal begon’, gaat ze naadloos verder. ‘Ik was al een tijdje heel moe. Mijn takenberg op het werk werd groter en groter. Na een tijdje moest ik stoppen met mijn lievelingshobby, zwemmen, want ik had overal spierpijn. De club vond dat vreselijk. Ze hebben mij daar graag. (zucht) En dan kwam het moment waarop mijn baas vroeg of ik ook de taken van mijn collega die in zwangerschapsverlof ging, wilde overnemen. Nee zeggen zat er niet in: in mijn sector liggen de jobs niet voor het grijpen. Voor je het weet zit je in die befaamde vicieuze cirkel waar mijn dokter het over had en loopt het potje over.’

Op het moment dat het potje overliep, zat Stéphanie op kantoor. Haar baas vroeg haar waarom ze een belangrijke deadline gemist had, maar Stéphanie kon zich niet meer herinneren dat ze ooit een deadline had gekregen. ‘Ik ben in een blinde paniek in mijn stapels paperassen beginnen zoeken en heb mijn mailbox binnenstebuiten gekeerd tot ik de opdracht vond: ik moest 28 pagina’s vertaald hebben tegen... mja, een uur voor ik de opdracht ontdekte. Ik was zo hard in paniek dat ik mijn oren voelde suizen, maar besloot om toch recht te springen zodat ik mijn baas ervan kon overtuigen dat ik geen luie slons ben. Dat had ik beter niet gedaan.’

Stéphanie viel flauw in de gangen van het kantoorgebouw en werd naar de dokter gebracht door een van haar collega’s. ‘In de auto had ik mijn opdracht en nog twee woordenboeken bij. Ik was al aan het vertalen, want ik wilde per se dat document afwerken. Maar het ging drie keer zo traag als gewoonlijk. Dat had ik al eventjes, dat alles veel trager ging in mijn hoofd.’

Uitgevlogen

Met haar vertaalopdracht nog in de hand stapte Stéphanie bij de dokter binnen. ‘Ik zei dat het echt niets was en maakte en paar grapjes, zoals ik gewoonlijk doe. Toen vroeg de dokter me wanneer ik voor het laatst gegeten had. Ik loog dat ik niet ontbeten had en dat “het dat wel zou zijn”. Daarna vroeg de dokter me wanneer ik voor het laatst op vakantie was geweest. Ik loog dat dat nog maar een paar weken geleden was en dat ik tiptop uitgerust was. Tot slot zweeg hij even en vroeg hij wanneer ik voor het laatst gezwommen had. Onze dokter kent me al sinds ik vijf ben. “Je zwemt toch graag”, vroeg hij nog eens voorzichtig. Op dat moment ben ik uitgevlogen tegen hem. (zwijgt even) Daar schaam ik me nog altijd over.’

‘Ik heb de lelijkste dingen tegen hem gezegd. Dat hij niet begreep wat voor een hondenleven ik zogezegd thuis zou hebben met ouders die altijd “te bezorgd” zijn over het feit dat je te hard werkt. Dat hij niet begreep hoe verschrikkelijk het is om elke dag nog vermoeider wakker te worden dan de dag ervoor. Dat hij niets wist over hoe het voelt om naar het zwembad te gaan en te kijken hoe je vrienden zich amuseren terwijl jij aan de kant staat met pijn in elke vezel van je lijf. Dat hij maar moest oprotten met zijn “nine to five-job”, dat heb ik ook nog gezegd, denk ik.’

Grapje

Toen Stéphanie was uitgeraasd, kreeg ze van de dokter te horen dat ze ‘opgebrand’ was en rust moest nemen. Hij belde haar moeder om haar op te halen bij de dokterspraktijk en stelde voor om zo snel mogelijk bij een therapeut langs te gaan. Haar moeder legde de afspraken vast en bracht Stéphanie naar huis, waar ze een kopje thee kreeg én een warm dekentje.

‘Het was verdomme mei’, zegt Stéphanie. ‘Plots behandelde iedereen mij als een kleuter, als een vogeltje met een gebroken vleugel. Ik ben geen meisje dat zo gaat zitten kniezen in haar zetel tot er een kilo stof opligt, weet je. Dus ik ben gaan wandelen en dat doe ik nu nog altijd veel. Ik word daar altijd minder en minder snel moe van tegenwoordig, dus ik denk dat ik vordering maak. Oei, het woord “vordering maken” is gelinkt aan “presteren” en daar mag ik nu niet te veel aan denken volgens mijn therapeut. Oeps! (grinnikt)

Over de moeilijke periode waarin Stéphanie wel in de sofa bleef zitten, praat ze liever niet meer. ‘Passé, ik moet weer vooruit’, klinkt het. ‘Niemand heeft er boodschap aan om te horen hoe ik huilend in een foetushouding op mijn kamer deprimerende muziek lag te luisteren. Grapje, hé, we mogen al eens lachen. Ja, ook met burn-outs, vind ik. Lachen maakt dingen sneller bespreekbaar. Het maakt je leven lichter.’

Tiptop

In september mag Stéphanie weer aan het werk. Vorige week dook ze voor het eerst in maanden weer in een zwembad. ‘Ik durf te zeggen dat het beter gaat, maar telkens wanneer ik doe alsof alles al tiptop in orde is, loopt het mis. Dus ik probeer het rustig aan te doen.’

‘Als ik nu terugkijk en analyseer, dan zie ik natuurlijk wel welke stommiteiten ik heb begaan. Wie werkt er nu zo hard?! Ik ben echt zot geweest. Maar dat betekent dus niet dat ik nooit meer hard ga werken en geen doelen meer wil hebben in mijn leven. Mijn baas en ik hebben een heel goed gesprek gehad onlangs en ik ga weer bij hem aan de slag in september, zonder dubbel takenpakket. Mijn ouders zijn schatten en gaan mij mee in het oog houden, zoals ze altijd al deden eigenlijk. En dan hoop ik dat ik volgende zomer kan terugkijken op die burn-out als een evil bitch die ik gemold heb en waar ik veel uit geleerd heb.’