‘Had het onaangename gevoel dat ik om de tuin was geleid’
Marc de le Court, gewezen procureur-generaal bij het Hof van Beroep van Brussel. Foto: Photo News

‘Ik had het onaangename gevoel dat ik mogelijk om de tuin was geleid of in het ongewisse was gelaten.’ Dat heeft de voormalige Brusselse procureur-generaal Marc de le Court woensdag verklaard in de onderzoekscommissie Kazachgate.

Marc de le Court doelde daarmee op de verruimde minnelijke schikking die in Brussel werd gesloten met de Oezbeeks-Belgische miljardair Patokh Chodiev en de latere berichten over ongeoorloofde inmenging.

Toen de le Court via de media lucht kreeg van de zaak-Kazachgate, was hij naar eigen zeggen ‘totaal geschokt’. Hij had het ook over ‘frustratie’ en zelfs ‘woede’. ‘Ik blijf met één vraag zitten: hoe is het mogelijk dat geen enkele publieke persoon, ambtenaar of overheidsdienst kon raden wat er zich mogelijk afspeelde, want ik wist van niets?’

Inmenging

De onderzoekscommissie gaat na of er sprake was van ongeoorloofde inmenging bij de totstandkoming van de afkoopwet in 2011. De vraag rijst of die wet in sneltempo door het parlement werd gejaagd zodat Chodiev en twee zakenpartners er een beroep op zouden kunnen doen. Daarbij wordt richting het Elysée gekeken.

Parijs had immers van Kazachse diplomaten de boodschap gekregen dat het geen slechte zaak zou zijn mochten de gerechtelijke problemen van Chodiev en co in ons land van de baan zijn, om een commerciële deal te smeden. Kringen rond het Elysée stelden daarop een advocatenteam samen om Chodiev bij te staan, waarvan oud-Senaatsvoorzitter Armand De Decker deel uitmaakte.

De onderzoekscommissie gaat ook na of de schikking nadien correct is toegepast. Die zag immers het levenslicht tussen de goedkeuring van de oorspronkelijke wet en van een reparatiewet enkele maanden later. Volgens de le Court bood die schikking een antwoord om de ‘zware problemen’ op te vangen waar het dossier mee kampte: de redelijke termijn kwam in het gedrang en er was twijfel of het voor een correctionele rechtbank wel tot een veroordeling zou komen.

‘Bijzondere context’

De voormalige procureur-generaal zei indertijd niets te weten over die ‘bijzondere context’. ‘Mocht meester De Decker me hebben gezegd dat hij een mandaat had van een buitenlandse mogendheid om een snelle oplossing te vinden in een gerechtelijk dossier, quod non, dan had ik een rapport per drager aan de Staatsveiligheid laten bezorgen, dan had ik de advocaten in mijn kabinet laten sommeren en in functie van de antwoorden eventueel een proces-verbaal opgesteld met het oog op een strafvervolging’, klonk de le Court categoriek.

De piste van de verruimde minnelijke schikking zou volgens de le Court alleszins van de baan zijn geweest. ‘Ik ben niet de procureur-generaal van Parijs of van Astana. Ik ben er om de Belgische openbare orde te verdedigen en inbreuken op te sporen.’