Chris Dusauchoit: 'Dit litteken is een deel van mijn lijf en leven'
Chris Dusauchoit

Ze zijn met velen, weet Chris Dusauchoit, mensen die – zoals hij – getekend zijn voor het leven omdat iemand, ooit, zijn handen niet thuis kon houden. En erger. Laat niemand het wagen om de impact daarvan te minimaliseren.

Wie? Programmamaker voor radio en televisie, onder meer presentator van ‘Dieren in nesten’.

Wat? Twijfel, nachtmerries, woede. Zij voeden de ogenschijnlijk normale levens van slacht­offers van seksueel misbruik.

There. I said it, ik kroop uit die vreselijke kast. En natuurlijk wil iedereen nu meer weten, maar uit het diepste respect voor de andere slachtoffers van ‘mijn’ roofdier zeg ik niet meer dan wat zij aankunnen. Zij zijn altijd mijn maatstaf geweest en dat zal zo blijven.

Wat misbruik met een mens doet, kan ik het weten? Ik kan niet vergelijken met een ik die het niet heeft meegemaakt, ik ben ik en het zal me altijd wel in de kleren zitten. Ben ik wel normaal, doe ik dit of laat ik dat, net omdat het is gebeurd? Heb ik genoeg zelfrespect? Twijfel is voor ons prooien een harde noot om te kraken. Net zoals die vreselijke, onbeantwoorde vraag: waarom?

Het roofdier

Soms zit het heel ver weg en fladder ik als de beste, maar soms komt het naar boven. Als ik lees over andere roofdieren en hun aanhangers, die net als het mijne ontkennen of minimaliseren. Een relatietje. Zeg ne keer. Als ik mensen heb gekwetst dan wil ik me excuseren. Hoezo, ‘als’? Op die momenten ontsteekt in mij een woede die ik maar moeilijk getemd krijg. Onder de mat vegen en voortdoen is een beproefde tactiek, maar later komt het toch weer naar boven als een lelijke jojo, onverwacht en oncontroleerbaar. Haarscherpe beelden, geuren, waar ik was. Ooit stond ik als klein herdertje klaar om mee te lopen in de Brugse Heilig Bloedprocessie en zat er een roofdier in mijn kleine onderbroekje en ik duwde hem weg. Maar er is veel meer gebeurd en erger.

De prooien

Wij prooien, wij hebben onze goede en onze kwade dagen en nachten. Ik heb bijvoorbeeld last van de goorste nachtmerries, ik of mijn kind worden gefolterd in een kerker, er zijn nazi’s en duivels mee gemoeid, ergens kookt een pot pek. Overal loert doem, kwaad dat komt aanrollen als de donder en het onvermogen om het tegen te houden. Ik moet mezelf vaak wakker maken om meteen erna opnieuw in de horrordromen te belanden.

Jaja, ik heb erover gesproken met de beste psychiater van het land en dat heeft geholpen. Zeker de gouden raad dat ik bij mijn roofdier niet om uitleg moet vragen, dat daar niets te zoeken valt. Ik heb het aan mijn kind verteld, toen ik dacht dat ze er oud genoeg voor was. Het heeft haar diep getekend. De kwade rimpelingen gaan door en de onmacht is vaak nog erger dan de twijfel. Maar goed, dit litteken is deel van mijn lijf en leven, ik hoef het niet langer weg te stoppen. Ecce Chris Dusauchoit.

Neen, ik ga niet in debatprogramma’s zitten om erover te praten, ik geef geen interviews, ik word geen uithangbord. Deze tekst is eenmalig. Ik wil er ook niet voor betaald worden, geef dat geld maar aan Kindergeluk. Deze woorden zijn er trouwens niet voor mij, maar voor de tientallen mensen die me al dan niet privé laten weten dat ook zij hun roofdier hebben dat nog altijd vrij en lichtvoetig rondloopt. Hun hoop en wanhoop klinken zoveel doorleefder dan het schouderophalen van de roofdieren, hun onoprechte op de borst klopperij.

Verjaren

En ja, mijnheer Van Cauter, uw cliënt verdient een eerlijk proces, maar het eerlijkst zou zijn, beste wetgevers, dat dit soort feiten nooit verjaart, want – huizenhoog cliché – voor ons verjaart het misbruik ook nooit, het achtervolgt ons tot in onze dromen, tot in ons vlees en bloed.

En vergeef me als ik sommige mensen de hand niet schud, of niet ga kijken naar de nieuwe Polanski of Woody Allen, en dat de radio uitgaat zodra ik Gary Glitter hoor, en dat ik het vreselijk vind om collega te zijn van Rolf Harris. Zo tooi ik nu eenmaal mijn waardigheid. Of zoals Elvis Costello het zo schoon zingt:

If they had a King of Fools then I could wear that crown

and you can all die laughing because I’ll wear it proudly.