IN GRAFIEK

Waarom Europa luchtvervuiling gaat bestrijden

23 november 2016Arno Vanhollebeke

Drie jaar geleden kwam meer dan een half miljoen mensen vroegtijdig om het leven door de gevolgen van luchtvervuiling. Het Europees Parlement wil strengere uitstootrichtlijnen. Een studie van het Europees Milieuagentschap toont aan waarom.

Het Europees Parlement heeft een akkoord met de Europese lidstaten over nieuwe uitstootplafonds. Die normen moeten tegen 2030 de hoeveelheid schadelijke stoffen in de atmosfeer beperken. Want die stoffen hebben vaak negatieve gevolgen voor de volksgezondheid. Dat blijkt uit een studie die het Europees Milieuagentschap (EAA) vandaag publiceert.

85 procent stadsbevolking blootgesteld aan teveel fijnstof

Ozon (O3), fijnstof (PM 2.5 en PM10) en stikstofdioxide (NO2) zijn van de meest schadelijke stoffen die we dagelijks inademen. Ze kunnen in het slechtste geval leiden tot ademhalingsproblemen, hart- en vaatziekten en zelfs kanker.

Het aantal mensen dat dagelijks teveel van die stoffen binnenkrijgt, is volgens de EAA nog altijd veel te hoog. Zo stonden twee jaar geleden nog altijd evenveel mensen bloot aan een te hoge concentratie ozon als ruim tien jaar terug in 2004. Maar liefst 95,8 procent van de inwoners van Europese steden kwam met teveel ozon in aanraking.

Op vlak van fijnstof zijn er wel stappen vooruit gezet: voor deeltjes met een diameter kleiner dan 2,5 microgram gaat het nog om 85,3 procent. In 2004 was dat nog ruim 97 procent van de Europeanen in stedelijke gebieden.

Met het fijnstofdeeltjes met een diameter kleiner dan 10 microgram is het zelfs nog beter: van ruim 90 procent in 2003 tot minder dan 50 procent in 2014. Een forse daling.

Maar dat is volgens de EEA nog altijd te veel. Bovendien zorgt de blootstelling aan teveel fijnstof voor meer vroegtijdige doden dan door een teveel aan ozon of stikstofdioxide.

MEER DAN 550.000 vroegtijdige overlijdens per jaar

In 2013 kwamen in heel Europa meer dan een half miljoen mensen om het leven door de gevolgen van luchtvervuiling. Dit door een te hoge concentratie aan fijnstof of stikstofdioxide. 

In ons land ging het volgens de EEA om 12.580 Belgen. Dat betekent dat per honderdduizend Belgen er 113 overlijden door de gevolgen van luchtvervuiling. In onze buurlanden Frankrijk (87), Verenigd Koninkrijk (79) en Nederland (81) liggen die cijfers een stuk lager. 

Opvallend, in Oost-Europa liggen die cijfers dan weer nog een heel stuk hoger. Zo hebben Kosovo (213 doden per honderdduizend inwoners) en Bulgarije (200) de twijfelachtige eer om de nummer één en twee te zijn van Europa.

Dit komt vooral omdat in Oost-Europa heel wat biomassacentrales bij de verbranding van houtpellets het kankerverwekkende benzopyreen uitstoten. In andere delen van Europa komt die stof veel minder voor.

Ook zo in Scandinavië. Daar is de situatie het beste onder controle: in Zweden (33), Finland (33) en Noorwegen (36) liggen de aantallen opvallend lager dan in West-Europa.

VERWARMING ZORGT VOOR VEEL FIJNSTOF

Maar hoe komt al dat fijnstof in onze atmosfeer?

Meer dan de helft van alle uitgestoten fijnstofdeeltjes (PM2.5) is afkomstig van woningen, bedrijven en andere gebouwen. Maar liefst 56 procent van die deeltjes komt in de atmosfeer door verbranding. Vooral voor verwarmingsinstallaties.

Daarbij spelen hoofdzakelijk verwarmingen die draaien op verouderde biomassacentrales een kwalijke rol, volgens de EEA. Bij de verbranding van houtpellets komen er al te vaak schadelijke stofdeeltjes vrij. Ook bij ons.

Het Europees Milieuagentschap merkt in haar rapport dan ook op dat biomassacentrales zeker een bedreiging vormen voor de luchtkwaliteit. De EEA raadt aan om meer in te zetten op de vervanging van oude, schadelijke installaties.

OOK UITSTOOT door WAGENS BLIJFT PROBLEMATISCH

Naast fijnstof wijst de EEA ook nadrukkelijk in de richting van de hoeveelheid stikstofdioxide. Die gassen worden vooral uitgestoot door wagens.

Dankzij het uitbreken van het dieselgateschandaal, waarbij autofabrikanten als Volkswagen en Renault met de uitstoot van hun wagens bleken te sjoemelen, zijn de uitstootnormen voor wagens het voorbije jaar al verstrengd.

Volgens de Wereldgezondheidsorganisatie beperkt de gemiddelde jaarhoeveelheid stikstofdioxide zich het best tot 40 microgram per kubieke meter. 

 

Heel wat landen blijven onder die gemiddelde jaarnorm. Maar tijdelijke uitschieters, waarbij de hoeveelheid stikstofdioxide enkele uren zeer hoog liggen, zijn evenzeer schadelijk.

Verder merkt de EEA op dat benzinewagens de voorbije jaren veel stappen gezet hebben in de goede richting. Dieselwagens moeten daarentegen enkele tandjes bijsteken: de geplande lagere uitstootnormen worden niet gehaald.