CD&V pleit voor mobiliteitsbudget met “virtueel geld”
Foto: An Nelissen

Als het van CD&V afhangt, wordt het mobiliteitsbudget waaraan de regering werkt, een virtueel bedrag. De piste waarbij een leasewagen wordt omgeruild voor cash geld, doet volgens de Vlaamse christendemocraten vragen rijzen. Enkel wanneer dat virtuele budget op het einde van het jaar niet is opgesoupeerd, zou dat in een bedrag kunnen worden omgezet.

Tijdens de begrotingsonderhandelingen besliste de regering-Michel vorige maand dat ze tegen april volgend jaar aan een wettelijk kader voor een mobiliteitsbudget zal werken. Dat is een budget dat een werknemer kan aanwenden voor verschillende vervoersmogelijkheden, met als bedoeling de files op onze wegen weg te werken en een alternatief voor de vele bedrijfswagens te bieden.

Vijf ministers zijn daarbij betrokken. Het is nog onduidelijk hoe een en ander er concreet zal uitzien. Voor CD&V-mobiliteitsspecialist Jef Van den Bergh, die drie jaar geleden al een wetsvoorstel uitdokterde, mag het mobiliteitsbudget enkel worden gebruikt voor mobiliteit. Dat kan door het budget virtueel te maken, dat de werknemer vrijwillig kan gebruiken om te kiezen uit een palet van vervoersmodi dat de werkgever bepaalt.

Van den Bergh heeft bedenkingen bij de piste om een leasewagen te ruilen tegen cash geld, bijvoorbeeld door de ­leasingkosten min de belasting op het voordeel alle aard netto door te storten. Het mobiliteitsbudget moet immers budgetneutraal zijn voor de werkgever (en werknemer). Maar als de werknemer bijvoorbeeld beslist zijn wagen in te leveren en over de stappen op de trein, dan komt daar een nieuwe tussenkomst van de werkgever bij kijken. “Het lijkt simpel, maar dat is niet zo”, aldus Van den Bergh.

Kleine leasewagen

Een ander voordeel van zijn voorstel, houdt volgens het Kamerlid in dat het budget effectief aan mobiliteit wordt gekoppeld en dus ook de meeste kans op succes heeft. In het cashverhaal dreigt volgens Van den Bergh na verloop van tijd de stimulans weg te vallen om alternatieven te zoeken.

Opvallend in het voorstel is dat CD&V ruimte laat om binnen het mobiliteitsbudget ook een kleine leasewagen te voorzien, bijvoorbeeld in combinatie met een abonnement op het openbaar vervoer. Van den Bergh pleit voor een “realistische benadering” en beseft dat een huishouden nog steeds wel een auto kan gebruiken. “Als die optie er nog is, wordt het mobiliteitsbudget misschien aantrekkelijker. Als het dan wordt gecombineerd met een alternatief, is het een en-en-verhaal”, aldus Van den Bergh.

Door het statuut van het mobiliteitsbudget evenwaardig te maken aan de bedrijfswagens op het vlak van RSZ en fiscaal recht, moet het concurrentieel voordeel van de bedrijfswagen wegvallen. Het wordt dus ook uitgesloten van RSZ-bijdragen. Al laat Van den Bergh daar een opening voor een solidariteitsbijdrage. Mocht het mobiliteitsbudget een eclatant succes betekenen, moet dat de daling in RSZ-inkomsten opvangen.

Indien een werknemer kiest voor een bedrijfswagen binnen zijn mobiliteitsbudget, dan wordt enkel de wagen beschouwd als een belastbaar voordeel van alle aard. Indien hij een deel van zijn wagenbudget overhevelt - door een kleinere en milieuvriendelijkere wagen te kiezen - dan daalt dat voordeel van alle aard.

Bedoeling is tot slot het systeem juridisch zo eenvoudig mogelijk te maken. Indien het systeem te ingewikkeld is, dan haken bedrijven af, aldus nog Van den Bergh.