REVIEW. John Cale: prachtsongs met noise
Foto: CPU -Thomas Verfaille

Als uitsmijter had John Cale nog een stevige en bijna ouderwetse versie van ‘Waiting for my man’ in petto.

Hij bouwde een strakke set op, al ging hij soms ver in de exploratie van noise en bruitage. Ja, ook Cale danst mee met zijn tijd. Gitarist Dustin Boyle mocht zich overgeven aan ziedende solo’s. De bassist liet zijn bas grommen en de drummer dreef de muziek vooruit. Met psychedelische beelden erbij kreeg de hele set wel iets dramatisch. Opener was ‘Endless’, gevolgd door ‘Hemingway’. Die song dreef op loeiende synthesizers en een vervormde gitaar. Maar het is vooral de expressieve stem van Cale, 74, die nog krachtig en sterk is, waar het rond draait. Cale’s muziek blijft nog evolueren. Hij speelt met timbres en kleuren. ‘Sunday Morning’ vatte perfect die lome en wat ongemakkelijke ochtendstemming. In ‘Hanky Panky’ mengde hij zelfs een operastem, al was dat overbodig. ‘Close Watch’ ontbrak niet en als slot klonk het dramatische ‘Wasteland’. Neen, hij moet die songs niet zo nodig in een hedendaags jasje, vol borrelende, zoemende en knisperende geluiden steken. Zijn prachtsongs zijn sterk genoeg om ze sober te brengen. Maar Cale en zijn band slaagden erin dat experiment te beheersen. Dat er al eens een biepje en een zoem te veel klonk, is hem vergeven.