'Toen Hagar geboren werd, was ik nog niet toe aan het vaderschap'
Foto: Fred Debrock
Tot haar elfde stond vader Herman Vuijsje met het gezicht naar de wereld en met de rug naar haar. In de net bekroonde roman ‘Malva’ verweeft Hagar Peeters hun verhaal met dat van Pablo Neruda en zijn verstoten dochter. Voor één keer willen ze het er samen over hebben, in dS Weekblad.

‘Dag pap, ik wil wel, jij ook?’

Vijf minuten nadat we ­Hagar Peeters (44), kersvers winnares van de Fintro Literatuurprijs, gemaild hadden met de vraag of ze een dubbelgesprek met haar vader wilde overwegen, stuurde zij hem die zin. Ze liet ons meteen meelezen, als wou ze hem zachtjes insluiten. Zoals ze hem en zichzelf verdichtte in haar roman. Of zoals ze hem op haar elfde met een brief in haar leven wilde schrijven. 

Hij wou wel, antwoordde hij, maar tussen de regels was zijn reserve voelbaar. Herman Vuijsje (70) is socioloog en journalist, een man van feiten. Hij formuleert sec, houdt van de grootste helderheid. Bij haar klappen de zinnen vaker open in poëzie en haar gedachten laat ze meanderen. Het is haar manier om er iets heel precies mee uit te drukken. Alleen de beste dichters kunnen dat. Wat zij is, dat vond Gerrit Komrij al. 

‘Dat vind ik ook zo mooi aan haar poëzie’, zegt haar vader als we elkaar later treffen in het Lloyd Hotel in Amsterdam. ‘Ik hou helemaal niet zo van moderne poëzie, want ik begrijp er meestal niets van. Maar bij Hagars gedichten voel ik toch precies waar het over gaat.’

Het manuscript van Malva kreeg hij pas te lezen toen het bijna af was. ‘Ik heb het enkele keren doorgenomen en een aantal opmerkingen gemaakt die Hagar vervolgens grotendeels in de wind sloeg.’ ‘Je vond het te uitbundig,’ zegt Hagar, ‘en daar was ik het dan gelukkig niet mee eens.’ ‘Je hebt er toch íéts in gewied? Nu vind ik het erg goed gedoseerd allemaal.’ 

Tussen haakjes

Nuchter als hij is, heeft hij toch een boon voor het magisch-realisme in haar boek. Hoe ze Malva, geboren met een waterhoofd, na haar dood in 1943 een stem en een pen geeft om haar vader alsnog naar zich toe te schrijven. Om zijn kind te mogen worden, en niet die ‘vampier van drie kilo, een bloedzuigster, een gedrocht’, zoals Neruda haar beschreef in een brief die hij nooit voor de openbaarheid had bestemd. 

Malva stierf op haar achtste in het Nederlandse Gouda. Daar was ze naar verbannen met haar moeder, Neruda’s eerste en van Nederland afkomstige vrouw, Maria ­Antoinette Hagenaar. Koud weggezet door de man die enkele van de warmste liefdesgedichten van Latijns-Amerika op zijn naam heeft staan. 

‘Het allermooiste in Hagars boek vond ik de verbale tango in Buenos Aires’, zegt Vuijsje in dS Weekblad. ‘Je gaat er zelf bij dansen als je het leest. Ik was vaak in Zuid-Amerika. Ik versloeg er staatsgrepen en andere omwentelingen. Maar ik raakte er ook geboeid door de literatuur van Gabriel Garcia ­Márquez en anderen. Ik had nooit kunnen denken dat mijn dochter zulke verhalen zou gaan schrijven. Ben ik erg trots op, ja.’

Tussen hen in op tafel liggen twee dagboeken. Ze bevatten de aantekeningen die Vuijsje maakte van zijn omzwervingen. 
Hij liet haar die dagboeken jaren geleden al lezen. Zij wilde weten wie hij was en waar hij uithing in de jaren dat hij haar verzweeg voor familie, collega’s en vrienden. ‘Hierin schreef hij vanuit de gevangenis in Bolivia waar hij zat vanwege vermeende contacten met guerrillero’s’, wijst ze naar het ene schrift. ‘En hierin beschrijft hij de begrafenis van Pablo Neruda die hij bijwoonde in 1973.’ 
Mild ontgoocheld stelt ze vast dat hij een derde dagboek, uit 1972, niet heeft meegebracht. Het is haar geboortejaar. ‘In dat schriftje zat ik te neuzen of er iets over mij in stond.’

Niets. Zelfs niet tussen haakjes.

In dS Weekblad blikken vader en dochter nu zaterdag voor de eerste en de enige keer samen terug op hun familiegeschiedenis. ‘Ik herinner me  een telefoongesprek waarin ik zei dat ik contact wou. Jij hield dat af. “Pas als je zeventien bent”, zei je’