Jean-Pierre Coopman: ‘Ali blijft de prachtigste mens die ik ooit heb ontmoet.’
Foto: BELGA

40 jaar geleden, op 20 februari 1976, kreeg een 29-jarige steenkapper uit het West-Vlaamse Ingelmunster in Puerto Rico minutenlang lang slaag van een 34-jarige atletische zwarte Amerikaan die hem eerder een pussycat had genoemd. In februari blikte Jean-Pierre Coopman in DS Weekblad terug op zijn gevecht met Mohammed Ali.

Dat de kamp plaatsvond, heeft Coopman eerder te danken aan de sluwheid van zijn manager, de kapper Karel de Jager, dan aan goddelijke voorzienigheid. De Jager had het palmares van Coopman zo leep opgebouwd dat hij gerangschikt stond als de beste zwaargewicht van Europa, maar hij slaagde er niet in om een kamp te regelen tegen de toenmalige Europese kampioen, de Brit Joe Bugner. Maar de onderhandelingen met de entourage van Ali lukten wel.

‘Ali danste al lang niet meer om zijn tegenstanders heen, zoals in zijn beginperiode. Hij had al een jaar niet meer in de ring gestaan. Zijn laatste kamp, de Thrilla in Manilla, waarin hij zijn wereldtitel verdedigde tegen Joe Frazier, had Ali op het nippertje gewonnen: Frazier gaf op, net voor Ali had moeten afhaken. Achteraf zei Ali dat hij de dood in de ogen had gekeken. Zijn entourage zocht een ongevaarlijke tegenstander die er op papier goed uitzag, en dat was Coopmans geluk’, zegt journalist Jan Van den Berghe.

Coopman zegt zelf dat hij altijd geloofde dat hij het kon halen van Ali tot de eerste seconde dat hij met Ali alleen in die ring stond. ‘Toen wist ik hoe laat het was. Bij elke slag die ik kreeg, zat ik op de paardenmolen.’

Lees het volledige artikel uit DS Weekblad

Je wil onze betalende artikels lezen maar nog geen abonnement nemen? Meld je aan en proef gratis van  plus-artikels.

Lees gratis ›

Geen betaalgegevens nodig