5 mei, 15u10: ‘<I>Iemand heeft zich opgehangen</I>’
Stakende cipiers voor de gevangenis van Vorst. Foto: Sébastien Van Malleghem

Al drie weken lang staken de cipiers. In Vorst is de toestand allicht het schrijnendst. Een gedetineerde daar hield een ‘stakingsdagboek’ bij over de leefomstandigheden. Via zijn advocaat Alexander Hamels maakte hij het openbaar.

3 mei

‘Wij hebben 1 paar kousen, 1 broek, 1 hemd, 1 handdoek, 1 onderbroek en dit voor mij sinds 18 april. Eén celgenoot heeft dit al gedurende twee maanden. Wij krijgen geen vervangende kledij, waardoor wij genoodzaakt zijn alles zelf te wassen met de hand, in een wasbak zonder warm water.’

‘Sinds zes dagen hebben wij geen wandeling gemaakt, terwijl we met drie man zijn waarvan één persoon met matras op de grond slaapt. Elke nacht hebben we muizen op bezoek omdat we al 1 week ons afval niet opgehaald zien. Onze cel is al 10 dagen niet gekuist omdat een emmer, aftrekker en wasproduct ons geweigerd worden. Zelfs wc-papier ontbreekt. Er wordt altijd beloofd: straks, straks.’

‘Wij krijgen eenmaal per dag een middagmaal, dat meestal te wensen overlaat, wat boterhammen en een kleinigheid van beleg, koude koffie die we dan zelf proberen op te warmen op de verwarming.’

‘Ik heb zes dagen geleden mijn gebit gebroken, maar omdat er geen rapporten (brieven met bepaalde verzoeken) worden opgehaald, zie ik geen tandarts.’

‘De politie doet niets anders dan spelletjes spelen op hun telefoon of baseball met hun knuppels en papieren proppen.’

5 mei

‘Er is geprobeerd brand te stichten langs de buitenkant van ons raam. Wij moesten ramen dicht doen om te ontsnappen aan de geur en rook. Het is al de tweede brandstichting. De spanning loopt op, ik vrees meer en meer dat het eens fout gaat aflopen.’

‘15 uur 10: we zien ambulanciers rennen, iemand heeft zich opgehangen in zijn cel. We horen mensen in paniek. Mensen worden wanhopig in deze omstandigheden. Ik weet niet of de persoon nog leeft. Er is veel politie aanwezig.’

6 mei

‘Deze morgen kregen we onze medicatie. Alleen de kalmeerpillen zijn er om de gevangenen in een roes te houden, maar antidepressiva zijn afwezig. Mijn celgenoot had gisteren naar de dokter gemoeten, maar daar was geen sprake van.’

‘Het is al 14 uur en nog steeds geen eten omdat er incidenten zijn. Nog steeds geen buitenlucht gezien. Wel heb ik positief nieuws. Ik heb mogen bellen gedurende vijf minuten. Wat een opluchting.’

‘De directeur is iedereen persoonlijk komen groeten en geruststellen, wat ik zeer apprecieer.’

7 mei

‘Omdat ik altijd vriendelijk blijf, heb ik toch een aftrekker gekregen om mijn cel te kunnen kuisen. Ze weten dat ik niet gewelddadig ben. De cel was smerig, ik heb meermaals moeten herbeginnen. De medicatie was volledig maar geen ochtendmaal, geen koffie. Geen wandeling, geen bezoek, nog steeds geen verse kledij, alleen koud water aan de wastafel die al weken lekt. De persoon die op de grond slaapt zijn matras gaat onderlopen.’

‘Ik kijk door het raam en wat ik zie is een stort: er ligt van alles, jassen, dekens, potjes yoghurt. Ik zie ratten die zich voeden. Ik heb meermaals mij vrijwillig aangeboden om te werken maar noppes.’

‘Er wordt terug brand gesticht in onze vleugel. We ruiken verbrande plastic en rook en we moeten terug de ramen sluiten.’

8 mei

‘De temperatuur loopt op in de cel, zeker 30 graden. De pollen waaien binnen en de vliegjes zijn massaal terug. Het is om te stikken. Ik ben bloednerveus en het wordt me te veel. Ongedierte komt hier langs alle kanten binnen. Nog steeds dezelfde lakens en kledij.’

9 mei

‘Ik was wat ziek: hoofdpijn, buikpijn. Ik heb bijna de hele dag geslapen. Ik heb om medicijnen gevraagd, maar dat bleek niet mogelijk. Er werd niet geluisterd, noch geantwoord. Daarna een schamel eetmaal, geen koffie, niets.’

‘De douche was zonder warm water. Bar koud! Ik voel mij nog steeds niet goed, dus ik ga weer slapen, tussen de rellen door. Het is hier zo’n lawaai, ik stop wat papier in mijn oren in de hoop toch wat te kunnen slapen. Ik ben het hier beu, kotsbeu, mijn hoofd staat op springen.’

‘22 uur: We hebben een verse broek en hemd gekregen, maar geen medicatie voor de hoofdpijn. De verpleegster is aanwezig en toch krijg ik te horen dat er geen verpleegster is. Ik heb ze juist zien voorbijlopen! Ze liegen dat ze zwart zien.’

10 mei

‘Ik voel mij nog steeds ziek, zwak en slaap veel. Ik hoest en ik probeer een chef (een cipier) te zien maar deze loopt gewoon voorbij. Ik kan zelfs niet om een dokter vragen.’

‘Deze nacht barstte de hel los: heel de vleugel begon op de deuren te bonken en Allah Akbar te roepen. Het was oorverdovend. Er werd water in de gangen gegoten, dat kwam onder de deur binnen. Buiten was weer vuur gesticht.’

11 mei

‘Om 12 uur naar de tandarts die ik al vele dagen vraag. Op vijf plaatsen in de mond genaaid. Ik heb twee paracetamol gekregen tegen de pijn. De hele dag meer medicijnen gevraagd maar tevergeefs.’

12 mei

‘De post is meegenomen, maar nog steeds geen dokter of psychiater gezien. Sinds 13 uur heb ik recht op een telefoontje, het is nu 18 uur 30. Ik leer ondertussen Pools van mijn celgenoot.’

‘Plots hingen er overal verse kleren. Vreemd, want we kregen er twee dagen geleden nog.’

‘Ik heb dan toch nog een telefoontje mogen doen, het heeft me deugd gedaan.’