De wegpiraat van de E314 betwistte de geldigheid van de dashcambeelden die tot zijn veroordeling leidden. Maar de rechtbank was duidelijk: ze gelden wel degelijk als rechtmatig bewijsmateriaal. Het debat lijkt daarmee gesloten.

De correctionele rechtbank van Leuven heeft woensdag Curd V. (51) veroordeeld tot achttien maanden cel. De wegpiraat van de E314 werd schuldig bevonden aan elf nieuwe feiten van buitensporige verkeersagressie in een zwarte BMW. De meeste beelden werden gemaakt met een dashcam. Volgens V. was de strafvordering onontvankelijk omdat het dossier gestoeld was op onrechtmatig bewijsmateriaal: dashcambeelden door particulieren. De man vroeg de beelden uit de debatten te weren maar de rechtbank volgde zijn stelling niet.

Op de vraag of de beelden konden worden gebruikt als bewijs moest de rechter nagaan of dat gebruik in strijd is met bepalingen van de Privacywet van 8 december 1992 en de Camerawet van 21 maart 2007. 'Over het gebruik van beelden als bewijsmateriaal om een misdrijf aan te tonen is in de Privacywet een bepaling opgenomen. Artikel 8 stelt dat ze mogen worden gebruikt als bewijs in rechte maar niet publiekelijk mogen worden verspreid. De gebruiker moet ook het proportionaliteitsbeginsel in acht nemen', stelde de rechter in het vonnis.

Privacy

Ook vanuit de Camerawet waren er geen bezwaren. 'De rechtbank oordeelt dat de dashcam niet valt onder het toepassingsgebied van de Camerawet die het gebruik van bewakingscamera’s regelt. Volgens artikel 5§2 moet de gemeenteraad advies geven over bewakingscamera’s. Dashcams zijn permanent in beweging, over de gemeentegrenzen heen. Artikel 7 over mobiele camera’s van politiediensten is niet van toepassing op dashcams.'

De rechter ging nog een stapje verder. 'Zelfs als de rechtbank zou vaststellen dat de Privacywet of andere wettelijke bepalingen werden geschonden, dan nog hoeft de rechter de beelden niet noodzakelijk te weren als bewijsmateriaal. De rechtbank kan op basis van artikel 32 onrechtmatig verkregen beeldmateriaal alleen uitsluiten in twee specifieke gevallen: als het de betrouwbaarheid van het bewijs heeft aangetast of als het gebruik van het bewijs in strijd is met het recht op een eerlijk proces.'