Discussie over bewijskracht van beelden van dashcam
Foto: VTM

Tijdens de behandeling van de zaak van de wegpiraat van de E314 woedde woensdag voor de correctionele rechtbank van Leuven een felle discussie over de bewijskracht van beelden die gemaakt worden met een dashcam.

Niet het verwachte debat over schending van de privacy beheerste het debat. Wél de geldigheid van het met een dashcam verzamelde bewijsmateriaal. “Het Hof van Cassatie stelt zich vandaag soepel op inzake bewijskracht van beelden”, zei de procureur op de zitting. Ze citeerde uit een artikel over digitale bewijskracht. “Om een misdrijf te staven komen alle bewijzen in aanmerking. De rechter bepaalt vrij of hij de beelden gebruikt en of die betrouwbaar zijn.”

De procureur verwees naar de correctionele rechtbank in Hasselt op 29 oktober 2015. Die veroordeelde dezelfde Curd V. voor één feit van verkeersagressie tot twaalf maanden cel met uitstel. “Ook daar vroeg de verdediging om de beelden uit de debatten te weren. De rechter legde dat naast zich neer.”

Drie seconden gewist?

Volgens de advocaat van V. kunnen beelden van een dashcam niet als bewijs dienen. “Om de eenvoudige reden dat ze gemanipuleerd kunnen worden. Een wettelijk kader ontbreekt en er zijn geen garanties. Waarom werden in het eerste filmpje drie seconden gewist? “ Advocaat en hoogleraar strafrecht Philip Traest bevestigt dat rechters steeds minder moeite hebben met dergelijk beeldmateriaal. “Specifiek over de dashcam bestaan nog geen arresten. Rechters gaan steeds soepeler om met camera’s aan bijvoorbeeld woningen, ook de niet-geregistreerde. De toetssteen is en blijft de privacy.”

Ander punt van discussie tussen het openbaar ministerie en de verdediging was de betrokkenheid van drie politieagenten in burger. Zij zorgden voor twee van de dertien nieuwe dossiers tegen Curd V. Volgens de procureur gaat het om echte politieverslagen, volgens de verdediging om niet meer dan een getuigenis. “Als een politieagent aan het werk is, geldt zijn vaststelling als bewijs. Tot bewijs van het tegendeel”, stelt Traest. “In burger heeft zijn verklaring dezelfde waarde als die van iemand anders, niet meer of niet minder. De wet is daarover niet gespecifieerd, de rechtspraak wél. De rechter kan er altijd rekening mee houden.”