The Red Centre, het roodgloeiende hart van Australië
Foto: dieter moeyaert

Het is veruit het meest herkenbare beeld van Australië, dat icoontje van een kangoeroe op een verkeersbord. Het geel-zwarte vierkantje, op zijn hoek gedraaid, spreekt tot de verbeelding en doet dromen. Want wie is er nu geen fan van zo’n lieve kangoeroe?

Hate to break it you, maar: de Australiërs zelf. En mij mag u er gerust ook bij rekenen. Als kangoeroes niet op hun staart gaan staan en beginnen te boksen en te trappen, wanneer je in hun buurt komt, verschuilen ze zich wel in de berm langs de weg bij zonsopgang of -ondergang – en dan springen ze vlak voor de wielen wanneer je passeert.

Een vreemd zelfverdedigingsmechanisme, als je het mij vraagt, maar het zij zo. Die verkeersborden staan er niet omdat Australiërs ze mooi vinden, ze staan er omdat kangoeroes een echte plaag zijn. De meeste Aussies geven zelfs gas bij als ze er één hun richting op zien springen.

Hopelijk heeft het voorgaande u geen trillende onderlip en mistige ogen bezorgd – ik vertel gewoon de waarheid: Skippy is écht geen lieverdje. Ik was dus extra op mijn hoede toen ik na één maand in Sydney, één maand in Melbourne, een paar weken afwisselend in Adelaide, Tasmanië en Indented Head (Victoria), en twee maanden in Condobolin (New South Wales) doorgebracht te hebben, aan een roadtrip begon doorheen The Northern Territory en West-Australië.

Uluru

The Northern Territory is geen échte staat van Australië, het heeft een apart administratief statuut (een ‘grondgebied’) omdat het regionale politieke landschap zó verdeeld is dat hoofdstad Canberra er nog altijd alle beslissingen neemt.

Het onderste gedeelte van The NT bestaat uit The Red Centre, en het bovenste gedeelte is – rarara, daar zijn de Australiërs en hun letterlijke benamingen weer – The Top End. Maar dat is voor de volgende aflevering van deze reeks. (Tussen de twee vind je niets dan bush en woestijn, een absolute nothingness, blakerend in het felle zonlicht.)

De meest iconische trekpleister van The Red Centre - een plaats die al zo vaak is afgebeeld dat je ermee vertrouwd bent, ook al ben je er nog nooit geweest - is Uluru (of Ayers Rock), de gigantische, 348 meter hoge, 3,6 kilometer lange en ongeveer 600 miljoen jaar oude zandstenen monoliet, waarvan geologen vermoeden dat er slechts tien procent van zijn totale massa zichtbaar is.

In het trillende, withete licht van de Australische outback lijkt de rots op een aftands buitenaards ruimteschip, dat hier miljoenen jaar geleden strandde. Overdag ziet hij er ook helemaal niet zo rood en gaaf uit zoals de meeste foto’s doen uitschijnen, maar ‘s avonds, wanneer de zon ondergaat, verdwijnt zijn okerkleurige, pokdalige oppervlak in een bedwelmende, rode gloed.

Kata Tjuta

Op een halfuur rijden van Uluru ligt Kata Tjuta, of The Olgas: een zo mogelijk nog buitenaardser uitziende zandsteenformatie die op meer dan één vlak gelijkenissen vertoont met The Citadel, het hoofdkwartier van de slechterik in Mad Max: Fury Road, de ultieme Aussiefilm.

De pr-dame van het Uluru-Kata Tjuta National Park, die zo vriendelijk was om me een gratis toegangspas voor het park te geven, bezwoer me dat ik enkel foto’s van Kata Tjuta’s voorkant mocht nemen, omdat de rest van de rotsformatie heilige grond is voor de Aboriginals.

Toen ik er dichter bij kwam, snapte ik waar ze het over had. Net zoals bij Uluru, of je hem nu ziet, of er met je rug naartoe staat, is het alsof je zijn aanwezigheid voelt. De trillend hete woestijnlucht lijkt er plots af te koelen, errond is het muisstil.

Eenmaal je Kata Tjutas indrukwekkende frontpartij voorbij bent, bestaande uit drie monumentale domes, openbaart zich The Valley of the Winds, een verbluffend mooie, frisgroene vallei, omgeven door rotsen. Dit is Australië op zijn best.

Rim Walk

Even stoffig als Mad Max himself stoof ik terug de snelweg op, en zocht ik me een weg doorheen de dorre Simpson Desert, richting Kings Canyon. Langs deze onbekende en dus onbeminde scheur in het aardoppervlak heb ik één van Australiës mooiste korte wandelingen gemaakt: de Rim Walk. Kangoeroes en wallaby’s hielden me gezelschap terwijl ik mijn weg zocht doorheen dit onwerkelijke, oeroude rotslandschap.

De avond was van een ontstellende schoonheid, zoals je ze enkel in de outback kunt beleven. Onder een twinkelende sterrenhemel, waarin de Melkweg zich duidelijk aftekende, genoot ik van een gigantische Angus Beef Steak en een stevige coldie, terwijl een Jackaroo (een Australische cowboy, de vrouwelijke versie is een Jilleroo) enkele weemoedige liedjes speelde op zijn aftandse gitaar. Aan de horizon gleed een streep van het allerlaatste zonlicht langzaam weg.

Problemen

Zo dromerig als ik vanuit de woestijn terug de bewoonde wereld betrad, zo snel stond ik er terug met mijn voetjes op de grond: nergens in Australië zit de Aboriginalproblematiek zo dicht aan het oppervlak als in Alice Springs. Dit stadje, dat zijn oorsprong zag als een telegrafiestation in de lijn tussen Adelaide en Darwin, heeft een groot aantal oorspronkelijke bewoners (Aboriginals) in zijn bevolkingsaantal, en ik vermoed dat de meesten ervan laveloos rondhingen op straat, gehuld in lompen en dof voor zich uitstarend.

Alcohol en suiker zijn twee dingen waar hun lichaam niet tegen bestand is, en laat dat nu net twee hoekstenen zijn van de moderne Australische maatschappij. De Aboriginals, een vredelievend en nomadisch natuurvolk, zijn op elk vlak de tegenpolen van de luidruchtige, lichtjes gewelddadige en sedentaire blanke Australiërs.

Ze vinden gewoon hun plaats niet in de moderne, westerse maatschappij, niet alleen omdat ze alles wat ze verdienen moeten delen met hun clan (dus waarom zouden ze werken?), ook omdat jonge Aboriginals af en toe eens walkabout gaan (een soort overgangsrite in de natuur, voor jongvolwassenen) – en die gewoonte valt niet te verenigen met de eisen van 21ste-eeuwse werkgevers. Ook drugs, zoals methamfetamine of ice (speed in kristalvorm, die voor amper tien euro verkrijgbaar is), richten de nodige ravage aan in het maatschappelijk weefsel van de Aboriginals.

Ik probeerde het niet te veel aan mijn hart te laten komen, en bezocht naast het oude telegrafiestation ook het Alice Springs Desert Park, waar je Australiës unieke fauna van dichtbij kunt bekijken: rode kangoeroes, dingo’s (wilde honden), emoes (grote loopvogels), redbacks (kleine maar uiterst giftige spinnen) en tijgerslangen. Die avond viel ik, ondanks al die Australische creepy crawlers die ik in het Desert Park had gezien, in een bodem- en droomloze slaap.