Tussen hel en aards paradijs op Tasmanië
Foto: dieter moeyaert

Een week: meer had Dieter Moeyaert niet om Tasmanië helemaal uit te pluizen en in beeld te brengen. Akkoord, het eiland is ‘slechts’ 65.000 vierkante kilometer groot, en in Australische termen is dat minuscuul, maar de helft ervan – een oppervlakte ter grootte van België – is beschermd natuurgebied, met kronkelende wegen waar je maar heel traag over vordert.

Het koud zweet brak me al uit. Maar zoals altijd – vlak voor een reis heb ik steevast zin om thuis te blijven – bleek mijn vrees ongegrond. Eenmaal ik voet aan land gezet had op Tassie, en vlot mijn weg vond in hoofdstad Hobart, was ik vertrokken voor een week vol verwondering en avontuur.

Ruwe bolster met blanke pit

Hobart begon als een walvisvaardersstadje: ruw en ruig, met de stank van rottende kadavers die in de straten hing en zeewater dat rood kleurde van het bloed. Dat ruige zit nog altijd in het DNA van de stad, al weet de eindbestemming van de beroemde Sydney-Hobart-zeilrace, die hier elk jaar rond nieuwjaar eindigt, dat bijzonder goed te verbergen achter een fijnbesnaarde gastronomische scène, gezellige ochtendmarkten en één ongelofelijk kunstmuseum.

Samen met de aankomst van Sydney-Hobart vindt het Taste Festival plaats. Daar toveren de koks van Hobart met Tasmaanse ingrediënten: Atlantische zalm, oesters van de oostkust, rivierkreeft, truffels, lamsvlees van Flinders Island, kaas van King Island, truffels, champignons, volle, fruitige pinot-noirwijn uit de Tamar Valley en de Coal River Valley.

Na een bucolische maaltijd smaakt een craft beer des te beter – artisanaal gebrouwen bier, dat in heel Australië ongekend populair aan het worden is. In de Hope and Anchor (open sinds 1807 en daarmee de oudste pub van Australië), op een steenworp van de haven, genoot ik van een Moo Brew, een Seven Sheds en een Cascade.

Op zaterdagochtend is de Salamanca Market niet te missen. Hier prijzen Tasmaanse bakkers, appelkwekers, visboeren en kunstenaars van allerlei pluimage hun waar aan sinds 1972, in 300 kleurrijke kraampjes. Ondertussen luisteren straatmuzikanten de bedrijvige sfeer van de markt op met vrolijke riedeltjes, terwijl de 1.200 meter hoge Mount Wellington – overigens een prima plek om foto’s te nemen – boven het stadje uittorent.

Disneyland voor volwassenen

Een museumfanaat zou ik mezelf niet durven noemen – ik loop liever buiten – maar wat Hobart voor me in petto had met het MONA (Museum of Old and New Art) zou zelfs de meest cynische modernekunstliefhebber met verstomming slaan.

Eerst neemt een catamaranjacht je van de haven van Hobart mee naar een afgelegen site langs de River Derwent, waar een mysterieuze, in zandsteen uitgehouwen kunsttempel zijn geheimen één voor één prijsgeeft: Wim Delvoyes gotische betonmolen en Cloaca, Stephen Shanabrooks ‘On the road to heaven the highway to hell’ (de resten van een zelfmoordterrorist die hij in donkere chocolade goot), en de Fat Car van Erwin Wurm: een opgeblazen Porsche.

De mysterieuze eigenaar David Walsh – die volgens de legende opgroeide in een arm gezin, later wiskunde studeerde, vervolgens een formule voor blackjack ontwikkelde, en daarmee rijk werd in casino’s rond de hele wereld – goot zijn fortuin in dit, in zijn eigen woorden, ‘subversieve Disneyland voor volwassenen’.

Wat is het heerlijk verdwalen in deze wonderbaarlijke bunker, die jaarlijks duizenden nieuwe toeristen naar dit kleine uithoekje van Australië trekt.

Om stil van te worden

Tasmaniës grillige en natte weer gaf het de bijnaam Hell Without The Fire, maar een plek die óók aan die omschrijving voldoet – of voldeed, in lang vervlogen tijden – is Port Arthur, een gevangenis op het zuidelijke punt van het Tasmaanse schiereiland, waar van 1830 tot 1877 in totaal 12.500 Britse gedeporteerden, van Ierse nationalisten over opstandige Jamaicaanse slaven tot Britse vakbondsleiders, dwangarbeid verrichtten onder vreselijke omstandigheden.

Twaalf uur per dag, vaak met loodzware ketens rond hun enkels, zaagden ze hout, kapten ze rotsen uit of schepten ze kolen alsof hun leven ervan afhing – wat vaak ook het geval was. Port Arthur was een experimentele gevangenis: in plaats van de gebruikelijke negentiende-eeuwse geseling, werden gevangenen bestraft met eenzame opsluiting in isoleercellen, waar velen hun verstand verloren.

De trieste geschiedenis van de plek, waar de inwoners van Tasmanië liever niet aan herinnerd worden, vormt een fel contrast met de vredige, groene natuur waarin de gevangenisruïnes liggen. Ik werd er zowaar een beetje stil van.

Paradijs

Het contrast met het Freycinet National Park kon niet groter. Het landschap van dit park is 370 miljoen jaar oud, en zit tjokvol kaketoes en wallaby’s. Ik zocht mijn weg via een kronkelend paadje, dat onder gigantische eucalyptussen en langs steile rotswanden omhoog liep, naar de Wineglass Bay Lookout. Van daaruit had ik een adembenemend uitzicht op een exotisch begroeide, baai met de bijzondere vorm van, jawel, een wijnglas.

(Australische ontdekkingsreizigers legden weinig fantasie aan de dag als het op namen aankwam. Een zanderige West-Australische woestijn noemden ze de Sandy Desert, als een bergketen ze opmerkelijk voorkwam, zoals in Nieuw-Zeeland, ging het voortaan door het leven als The Remarkable Mountains, en hadden ze toevallig honger wanneer ze op een nieuwe baai stootten, zoals gebeurde in Tasmanië, kreeg die de naam Eggs and Bacon Bay. Geen idee wat er aan de hand was toen Hangover Bay, net boven Perth, boven de doopvont werd gehouden. En wat te denken van het stadje Banana, in Queensland?)

Op de Wineglass Bay Lookout begint en eindigt Freycinet voor tachtig procent van de bezoekers. Ik waagde me echter aan de steile afdaling naar Wineglass Beach. Dit is één van de mooiste stranden ter wereld, met zacht, hagelwit zand dat knerpte onder mijn voeten. Glashelder, koel water spoelde ruisend aan in kleine golfjes, en hier en daar lag een jacht voor anker. Ook dat is Tasmanië: het regent er al eens, maar in goede doen kan het wedijveren met de Malediven en de Seychellen.

Tassies woeste hart

Om mijn bezoek aan Tasmanië in stijl af te sluiten, reed ik duizend kilometer, helemaal naar het andere einde van het eiland. In het westelijk gelegen Cradle Mountain National Park regent het gemiddeld 250 dagen, en het toeval wil dat ik er net op één van die dagen was: Cradle Mountain, een massieve, anderhalve kilometer hoge berg, was gehuld in dikke mist.

Misschien heeft u meer geluk dan ik, en kunt u zijn wiegvorm, die hij 500.000 jaar geleden kreeg door een botsing van ijsmassa’s, in al zijn glorie bewonderen. De rest van het Cradle Mountain National Park bestaat uit heide (waar ik wél één van Tasmaniës opmerkelijkste bewoners tegenkwam: de mierenetende echidna), kabbelende bergmeertjes en duizelingwekkende ravijnen.