Adelaide, een vrome stad die plezier leerde maken

Op zijn rondreis door Australië bleek Adelaide de meeste verrassingen in petto te hebben voor Dieter Moeyaert. Hij vertelt u waarom de Australische stad op zijn best is in maart.

Vraag me niet hoe, want ik ben er ook maar stoemelings op gebotst – dat is de manier waarop mijn reizen meestal lijken te verlopen – maar aan Adelaide heb ik enkele van mijn beste Australische herinneringen overgehouden.

Ik was er in maart, Mad March in de volksmond, wanneer de godsvruchtige bevolking van deze City of Churches – een bijnaam die de stad verdiende omdat het niet minder dan 531 kerken telt – collectief uit de bol gaat. Op de één of andere manier weet Adelaide in die maand een overvloed aan sportwedstrijden, culturele festivals en gastronomische evenementen te persen, wat het een dynamiek geeft die ik nergens anders in Australië heb gezien.

Tussen wroeging en dorst

Pruisische en Silezische Lutheranen, Schotse protestanten, getuigen van Jehova, Joodse christenen, tot de Afghaanse kamelendrijvers toe: allemaal hebben ze in Adelaide een eigen gebedsplaats. De stad was in het midden van de negentiende eeuw één van de eerste plaatsen ter wereld met godsdienstvrijheid, en dat trok religieuzen van allerlei pluimage aan.

‘Als ik wil bidden, blijf ik wel thuis’, hoor ik u denken, maar gelukkig valt hier intussen veel meer te beleven dan toen: voor elke kerk telt de stad twee bars of restaurants. Per capita zijn dat er meer dan eender waar in Australië, wat de levenslustige Adelaideans inspireerde tot het gezwinde mantra: ‘Drink on Saturday, and repent on Sunday’.

Het was niet omdat ik in Australië was, dat ik zomaar zou vergeten wie ik ben: een echte, bourgondische Vlaming, die graag tafelt en zich al eens vergrijpt aan een lekker drankje. U kunt zich mijn verbazing voorstellen wanneer ik aan Ebenezer Square plots een Stella Artois-naambord van Oostende op een gevel ontdekte. Het bleek om het Belgian Beer Café te gaan, waar ik prompt een blonde Leffe van het vat bestelde. Andere favoriete cafés – die elkaar in duizelingwekkend tempo opvolgden, allemaal op wandelafstand verzameld in het Central Business District – waren Clever Little Tailor, Chihuahua, The Publisher’s Hotel, Africola en The Exeter Hotel.

Het beste van beide werelden

Het is echter niet al peis en vree in de stad: de Zuid-Australische mijnindustrie zit op zijn gat, en áls de mijnen nog draaien, zijn het de machines en niet langer de mijnarbeiders die het meeste werk verrichten. Bovendien kiezen autobouwers zoals General Motors en Toyota het hazenpad richting Azië, waardoor steeds meer mensen in de werkloosheid terechtkomen. Adelaide moest íéts doen om niet te verpauperen, en daarom zette het vol in op toerisme.

En ben ik daar blij om! Met een sturm und drang en een roekeloosheid die onze vrolijke tegenvoeters zo siert, haalde Adelaide het ene evenement na het andere binnen, en propte het alles samen in de Moeder aller Feestmaanden: Mad March. Dan is de Zuid-Australische zomer op zijn zenit en neemt iedereen in de stad vrijaf.

Zo komt het dat ik de stoep deelde met luidruchtige autosportfans, op weg naar de V8 Supercars-race, de Clipsal 500. Op hun beurt duwden die de schichtige culturo’s van dezelfde stoep – zij hadden een ticket voor het Fringe-theaterfestival, dat plaatsvond in de Botanic Garden, voor de gelegenheid omgedoopt tot The Garden of Unearthly Delights.

Wat cultuur betreft, is het doorgaans op de kin kloppen in Australië – of u moet een fan zijn van Aboriginalkunst, waar elke stad Down Under een museum vol van heeft – dus koos ik voor Fringe. Ik heb het me niet beklaagd: in het feëeriek aangeklede park, vol kleurrijke lampionnen en exotisch aandoende circustenten en woonwagens, gaf het kruim van de Australische straatartiesten het beste van zichzelf. Toneelspelers, stand-upcomedians, clowns en acrobaten wier capriolen de mensen van Cirque du Solei zou doen blozen, toverden dat stukje park in Adelaide om in een Aalst-carnaval-meets-Alice-in-Wonderland.

De fruitmand van Australië

Een mens zou honger krijgen van al die belevenissen, en ook daar biedt Adelaide de nodige mogelijkheden. ‘s Morgens vroeg al, op de Central Market, waar de chefs van de stad hun inkopen doen. Dit is een overdekte marktplaats, die al meer dan 130 jaar het kloppende hart vormt van de Zuid-Australische gastronomie.

Probeer er Tony O’Connells gerookte ham, salami van de Mettwurst Shop, Britse stilton of Gippsland Blue van de Smelly Cheese Shop, Nieuw-Zeelandse bosbessen en andere exotische fruitsoorten in Stall 51, ovenvers brood van de Dough Stall. Zuid-Australië wordt niet voor niets de fruit and vegetable basket van het land genoemd.

Brunchen deed ik graag in The Taxpayer, op Victoria Square, en de beste koffie dronk ik in The Coffee Branch (Leight Street) en Kaffana (Peel Street). In het moderne restaurant Press* durft de chef ook minder voor de hand liggende gerechten op de kaart zetten: in de pan gebakken lamshersentjes bijvoorbeeld, of gegrilde kalfstong.

Schnitzels, apfelstrudels... en wijn

Ik maakte van mijn verblijf in Adelaide gebruik om ook eens de Barossa Valley te bezoeken; één van dé wijnregio’s in Zuid-Australië, naast The McLaren Vale – die heerlijke Shirazwijnen produceert – en de Clare Valley, bekend voor de zoete rieslings. Zuid-Australië exporteert niet alleen zijn beroemde Jacob’s Creek-wijnen en -cava’s rond de hele wereld, maar produceert ook meer dan de helft van alle wijn in Australië.

De Barossavallei ligt op 65 kilometer ten zuidwesten van Adelaide, en is het resultaat van de noeste arbeid van de Teutoonse Lutheranen, waar ik het eerder over had. Deze Duitse en Poolse boeren en ambachtslui brachten in de negentiende eeuw niet alleen hun schnitzels, apfelstrudels en bratwurst mee, maar ook de eerste scheutjes van druivenplanten. De Zuid-Australiërs zullen het niet graag toegeven, maar ze hebben hun vermaarde wijn te danken aan de Duitsers...

Ik nam deel aan de Taste The Barossa-tour, waarbij ik vier uitstekende wijndomeinen kon bezoeken: de Langmeil Winery, Peter Lehmann, Château Yaldara en Murray Street Vineyards.

Kusttram

Een betere manier om mijn bezoek aan Adelaide af te ronden dan met een retourtje Glenelg, een ontspannen kuststadje op acht kilometer van Adelaide, kon ik me niet inbeelden. De plek is gemakkelijk bereikbaar per tram.

Op de Glenelg Pier, die stamt uit 1859, mijmerde ik weemoedig over de leuke tijd die Adelaide me gegeven had, en keek ik warempel op tegen mijn vertrek. Het duurt niet lang voor deze stad onder je vel kruipt. Once smitten, forever bitten.