Kinderrechtencommissaris: ‘Deze kinderen hebben niet nog een trauma nodig’
Foto: Bart Dewaele

Dat een 14-jarig meisje werd neergeschoten met een kogel uit kunststof, ‘klinkt sowieso onaanvaardbaar’, reageert het Kinderrechtencommissariaat dinsdag. ‘Al lang vraagt het Kinderrechtencommissariaat om extra steun en begeleiding te voorzien voor kinderen op de vlucht. Een nieuw heikel punt is: wat is de inzet van politie in relatie tot jeugdzorg?’

Bij een interventie in een jeugdinstelling heeft het Snelle Respons Team van de Antwerpse politie op zondag 1 november een 14-jarig meisje neergeschoten met een kogel uit kunststof. Het meisje werd met lichte verwondingen naar het ziekenhuis overgebracht. Het meisje van Syrische afkomst werd door de begeleiders aangesproken, nadat ze, tegen de regels in, de instelling verlaten had. Daarop volgde een woordenwisseling en dreigde ze zichzelf te snijden met gebroken glas.

Er is betere psychologische begeleiding en ondersteuning nodig voor kinderen en jongeren op de vlucht, aldus Kinderrechtencommissaris Bruno Vanobbergen. ‘Dat horen we in onze contacten met jongeren die bij onze Klachtenlijn aankloppen en in de vele verhalen van professionals. En wetenschappelijk onderzoek toont de noodzaak ervan zeer duidelijk aan.’

36 procent ‘zeer kwetsbaar’

‘Veel van deze jongeren liepen in hun land van herkomst en onderweg naar hier traumatische ervaringen op. Ze belanden in een nieuw land, in een nieuwe situatie en er is vaak grote onzekerheid over hun toekomst.’ Dat veroorzaakt spanningen, stress en conflicten, klinkt het.

‘Volgens Fedasil is 36 procent van de niet-begeleide minderjarige vreemdelingen die in 2014 in ons land aankwamen “zeer kwetsbaar”. Waar wachten we op? Het groeit er niet uit. Deze kinderen en jongeren hebben nu hulp nodig. En niet nog een extra trauma in een land waarvan ze dachten dat het veilig was.’

De opdracht voor de bijzondere jeugdzorg, die sommige van deze kwetsbare jongeren opvangt, is niet gemakkelijk, gaat Vanobbergen verder. Er moet veel sterker dan vandaag het geval is worden ingezet op de ondersteuning van deze instellingen, vindt hij.

‘Her en der verspreid is er zeker expertise in Vlaanderen zoals bij het centrum Solentra. Alleen is de expertise te weinig gekend, te weinig verspreid en bereikt ze dus te weinig hulpverleners, opvoeders en jongeren.’

‘Kogel als antwoord is onaanvaardbaar’

Dat de hulp van de politie werd ingeschakeld, begrijpt het Commissariaat. ‘Maar kinderen die gevlucht zijn voor oorlog opnieuw met wapens benaderen, keuren we af. Dat het antwoord op de kwetsbaarheid van de jongere en van de instelling een kogel is, is absoluut onaanvaardbaar.’

De samenleving moet zich beraden over hoe politie-interventie gebeuren op plekken waar kwetsbare kinderen en jongeren samenleven, vindt Vanobbergen. ‘Het optreden van interventieploegen kan onmogelijk zonder overleg met de zorgfiguren die de context kennen en kunnen inschatten.’ Dat de interventie bijvoorbeeld gebeurde in een taal die het meisje niet begreep, vormt deel van het probleem. ‘De zorg voor de veiligheid van de jongere moet altijd centraal staan.’