Het Syrische leger heeft een offensief gelanceerd ten zuiden van Aleppo. Het wordt daarbij gesteund door Libanese en Iraanse troepen. Daarmee lijkt president Bashar al-Assad de langverwachte strijd om de grootste stad van Syrië te hebben ingezet. Dat meldt een militaire bron in Syrië vrijdag.

‘Dit is het beloofde gevecht’, aldus de bron aan Reuters vrijdagochtend. Met de grootschalige aanval, naar verluidt op slechts 16 kilometer ten zuiden van de stad, wil het regime zo de belangrijke stad in het noorden opnieuw in handen krijgen.

De kern van de troepen bestaat uit Syrische strijdkrachten. Maar het Syrische leger wordt bijgestaan door ‘honderden’ strijders uit Iran en van de Libanese terreurbeweging Hezbollah. Dat zegt de bron aan Reuters. Daarnaast wordt het leger vanuit de lucht ook gesteund door Rusland, dat sinds 30 september luchtaanvallen uitvoert in Syrië.

Aleppo, in het noorden van Syrië en op vierhonderd kilometer van hoofdstad Damascus, was voor de aanvang van de oorlog in 2012 de grootste stad van Syrië. Vandaag wonen er nog altijd zo’n 2 miljoen mensen en is Aleppo een strategisch nog altijd zeer belangrijk punt. Momenteel wordt de stad bezet door zowel rebellen - onder meer Al-Qaeda en Al-Nusra - als het regime van president Bashar al-Assad.

De troepen van Assad zetten volgens mensenrechtenactivisten geregeld internationaal verboden vatenbommen in tegen de opstandelingen. Dat zijn metalen containers, gevuld met springstoffen en metalen scherven.