De grote opsloktruc
Foto: Joris Snaet

Veel leenwoorden herkennen we niet meer als vreemd, niet alleen omdat ze erg vertrouwd zijn, maar ook omdat ze vernederlandst zijn. Hoe gebeurt dat?

Het Engels heeft geen woordgeslacht. Alles is daar the en als het niet leeft is het it. Het eerste wat Nederlandstaligen met een zelfstandig naamwoord doen, is het een genus geven: de compound (mannelijk), de doodle (mannelijk/vrouwelijk), de recovery (vrouwelijk), het blackboard, het event, het non-issue. Soms is er een vormelijke reden voor het woordgeslacht: zo zijn woorden op -aar mannelijk en woorden op -ing vrouwelijk. Als die er niet is, gebeurt de toekenning van het genus vrij willekeurig. Als een woord lijkt op een bekend Nederlands woord, kan dat wel invloed hebben. Zo spreken we van de creditcard omdat we ook de kaart zeggen.

Als het woord lang genoeg in onze taal blijft en heel populair wordt, passen we de uitspraak aan. Voor klinkers en tweeklanken is dat nauwelijks nodig. Soundbite is ook voor ons goed uit te spreken. Soms spreken we klinkers uit zoals we ze spellen: overlap rijmt met ‘over trap’. Vlamingen doen dat sneller dan Nederlanders: tram rijmt bij ons met tam en flat met plat. Medeklinkers uitspreken zoals de Britten gaat iets moeilijker. Berucht is de th, die bijvoorbeeld in thriller een t geworden is. Ook de g van grill spreken we niet meer uit zoals in het Engels.

De derde stap is het vervoegen van werkwoorden en het maken van afleidingen. Van fax hebben we faxen gemaakt, faxt, faxte en gefaxt. Van flirt maakten we geflirt en flirtatie, van dandy dandyachtig of dandyesk.

Verborgen vreemdelingen

Het Nederlands leent niet alleen veel woorden uit het Engels. Van oudsher heeft onze taal veel woorden uit het Latijn, Grieks en Frans overgenomen, recenter ook uit andere talen.

Klik op het beeld om de 'verborgen vreemdelingen' groter te bekijken