Dit mogen we van de voedingsindustrie niet weten over ons eten
Foto: istock

Dat je een kant-en-klaarmaaltijd niet altijd kan vertrouwen, wist je wellicht wel. Maar hoe zit het met heerlijk geurend gebak in de supermarkt of verse sla in pakjes? De Britse culinair journaliste Joanna Blythman ging op onderzoek achter de schermen van de voedselindustrie en schreef er een boek over dat in het Nederlands vertaald werd als ‘Slik je dat? Wat je niet mag weten over je eten’.

De voedselindustrie geeft zijn geheimen niet graag prijs, ontdekte Blythman. De ingrediëntenlijst van kant-en-klare maaltijden is ondoorgrondelijk en productieprocessen worden geheim gehouden.

Voedselfabrikanten doen er alles aan om zo goedkoop mogelijk voedsel te produceren dat zo lang mogelijk vers blijft, zonder de consument het idee te geven dat hij vooral chemie aan het eten is. Enkele voorbeelden uit haar boek.

- In voedselfabrieken wordt niet gekookt. Alle producten komen diepgevroren toe van over de hele wereld. Uien komen geschild en diepgevroren uit Polen, eieren worden tot een poeder gemalen dat een maand houdbaar blijft, aardappelen komen toe als vlokken.

‘Voor een voedselfabrikant is het economische waanzin om iemand in eigen land voor veel geld de schil van citroenen te laten halen, als je ook diepgevroren citroen-, sinaasappel- en limoenschil kunt kopen uit een ander land met fabrieken die daarvoor zijn ingericht’, schrijft Blythman. Dat de smaak niet meer op die van het origineel lijkt, wordt opgelost met smaakstoffen.

- Geen enkele voedselfabrikant weet honderd procent zeker wat er in zijn fabrieken gebeurt. Daarom dat er ook regelmatig producten worden teruggeroepen, meestal omwille van allergenen, ondanks de torenhoge kosten die dat met zich meebrengt. Voedselfabrikanten proberen kosten te drukken door met dezelfde apparatuur verschillende producten te maken en in de loop van de dag te wisselen.

Op de fabrieksvoeding vind je dan waarschuwingen als ‘kan sporen van noten bevatten’. ‘Met zulke waarschuwingen geven ze hun nederlaag toe’, vindt Blythman. ‘Ze erkennen dat ze vanwege de complexiteit van de productie niet weten wat er uiteindelijk in hun producten belandt, en niet echt in staat zijn om kruisvervuiling door pinda’s of andere ingrediënten te voorkomen.’

- Etiketten zijn een doorn in het oog van de voedselfabrikanten. De consument wil liever geen E-nummers of chemische namen, dus wordt vaak naar een creatieve oplossing voor gezocht. Op de vleesafdeling werkt het woord ‘fosfaat’ bijvoorbeeld argwaan, dus worden de etiketten ‘proper’ gemaakt met fosfaatvervangers, bindmiddelen van tapioca of andere soorten zetmeel.

‘Tapoiocazetmeel klinkt huiselijker dan ammoniumpolyfosfaat E452’, schrijft Blythman. Staat er ‘rozemarijnextract’ op het etiket? Dan heeft dit weinig te maken met het kruid, waarvan de antioxiderende materialen geïsoleerd worden met een chemisch proces waarbij de geur en smaak verloren gaan. Het resultaat is een stof die ervoor zorgt dat het vlees niet verkleurt en wekenlang vers blijft en die niet met een E-nummer op het etiket moet.

- De beurs ‘Food Ingredients Europe’ verzamelt distributeurs, leveranciers en kopers, maar is volgens Blythman meer een feestje van wetenschappers dan van foodies. ‘Ik werd niet verwelkomd met een geur, en er was nauwelijks iets dat aan voedsel herinnerde’, schrijft Blythman. ‘Bij mijn tocht over de beurs werd duidelijk waar alles om draaide: de verkoop van wonderproducten, waarmee fabrikanten kunnen besparen op duurdere ingrediënten.’

Een voorbeeld: NatureSeal, een stof met citroenzuur en onbekende ingrediënten dat de houdbaarheid van vers fruit en groenten met 21 dagen verlengt. ‘NatureSeal geldt als een hulpstof en hoeft daarom niet op het etiket te staan. Consumenten hoeven natuurlijk niet te weten dat hun ‘verse’ vruchtensalade al weken oud is.’

- Ook producten die ‘vers’ in de winkel gemaakt worden, komen meestal diepgevroren binnen. Blytman nam een kijkje achter de schermen van de Britse keten Marks & Spencer, waar ze eigenlijk niet mocht komen.

‘De specificaties maken duidelijk dat de donuts gefrituurd en diepgevroren aankomen en op die manier negen maanden houdbaar zijn. De ‘bakkers’ hoeven niets anders te doen dan de oven op een bepaald programma in te stellen. In dit geval is dat nummer zeven, dat wil zeggen: acht minuten op 120 °C, gevolgd door drie minuten op 100 °C. Ze koelen dan af en worden in de meegeleverde zakken bestrooid. Et voilá, heerlijk verse donuts!’

 

 

Johanna Blytman, ‘Slik je dat? Wat je niet mag weten over je eten’ is uitgegeven bij Bouillon Uitgeverij en kost 17,50 euro.