Na één jaar regering-Michel zijn werkenden beter af. Doordat de indexsprong nog niet plaatsgevonden heeft, is hun koopkracht heel lichtjes gestegen. Voor een pak gepensioneerden en uitkeringstrekkers is dat niet het geval.

Vijf euro per maand. Dat is de gemiddelde maandelijkse koopkrachtwinst van een werknemer, na één jaar regering-Michel. Geen bedrag om een feestje te bouwen, maar ook niet om moord en brand te schreeuwen.

De Standaard berekende – deels in samenwerking met de KU Leuven – wat de impact is van de federale maatregelen die vandaag al gelden, zoals het hoger forfait voor de beroepskosten, de werkbonus en de verhoogde btw op elektriciteit. Dit verklaart meteen ook het verschil met andere, veel minder rooskleurige berekeningen die ook het beleid in rekening brengen dat we vandaag nog niet voelen.

jaar Koopkracht

Heeft de regering Michel u rijker gemaakt?

Opvallend bij de werkenden is dat de regering-Michel vooral de koopkracht van de lage lonen verhoogd heeft. Wie een brutoloon heeft tussen 1.350 en 2.150 euro bruto, houdt ruim 100 à 150 euro meer over per jaar. Dat is dubbel zoveel als een doorsnee werknemer. Dat strookt met de betrachting van de regering om meer mensen aan het werk te krijgen, en vooral het verschil tussen een laag loon en een werkloosheidsuitkering te vergroten. De brutomaandlonen lijken erg laag, maar ze omvatten ook deeltijds werk. Bovendien gaat het om het gemiddelde loon over een jaar: wie slechts de helft van het jaar werkte, houdt zo een laag gemiddeld loon over.

Topverdieners

De enige werkenden die erop achteruitgaan, zijn – voor sommigen misschien enigszins verrassend – de topverdieners. Zij krijgen slechts de helft van de gemiddeld voorziene verhoging van het forfait voor de beroepskosten, en zij dragen relatief meer bij aan de belastingverhogingen die doorgevoerd zijn. Topverdieners verbruiken immers meer aan elektriciteit, kopen en verkopen veel vaker aandelen en genieten ook vaker niet langer geïndexeerde belastingverminderingen zoals pensioen- of langetermijnsparen. Wat de pil voor hen verguldt, is dat de verhoogde belastingen een veel kleiner procent van het inkomen bedragen dan bij de lage inkomens.

Bij de gepensioneerden is het beeld minder positief. Zij krijgen weliswaar – net zoals elk jaar – een verhoging van het vakantiegeld, maar die nettostijging van 25 à 40 euro volstaat niet om de rist kleine belastingverhogingen – waaronder hogere accijnzen en bankentaks – te compenseren. Een doorsnee gepensioneerde gaat er op jaarbasis bijna 70 euro op achteruit. De laagste pensioenen ontsnappen evenwel de dans, omdat hun pensioen met 2 procent gestegen is. Een alleenstaande met een minimumpensioen gaat er daardoor op jaarbasis bijna 225 euro op vooruit.

Voor de uitkeringstrekkers is het moeilijker om een algemeen beeld te schetsen. De laagste uitkeringen en het leefloon stegen op 1 september met 2 procent. Maar doordat de criteria voor bijvoorbeeld de inschakelingsuitkering verstrengd zijn, vallen een pak mensen uit de boot. Ook dat past in de filosofie van de regering om iets meer de stok te gebruiken bij werklozen. Als dat opzet slaagt, en de werkloze vindt werk, dan neemt zijn koopkracht flink toe. Lukt dat niet, dan valt de werkloze terug op een leefloon, of valt hij in het slechtste geval tussen de mazen van het net.

Conclusie na één jaar Michel: er is vaak moord en brand geschreeuwd, maar voorlopig gaat het gros van de werkenden er op vooruit. Dat is evenwel maar lichtjes, en geen aanleiding voor een vreugdedansje. Velen voelen immers ook de Vlaamse besparingen, zoals de hogere zorgverzekering en lagere woonbonus. En de regering-Michel is nog niet uitgeregeerd. Er komen nog maatregelen aan die de koopkracht gevoelig verlagen, zoals de indexsprong die een werkende gemiddeld 280 euro op jaarbasis kost. Daartegenover staan een resem taxshiftmaatregelen die de koopkracht van vooral de werkenden opnieuw wat verhogen.