Voor het eerst in Hebron
Tom Naegels

De fotoreeks van Filip Claus over zijn verblijf in Hebron en vooral zijn inleidende tekst erbij, schoten een aantal lezers in het verkeerde keelgat. Begrijpelijk, vindt Tom Naegels, er mangelde een en ander aan de duiding. Claus zelf nuanceert de heisa over de reportage: ‘Ze ging niet over de Palestijnen.’

Afgelopen weekend verscheen in dS Weekblad een beeldverhaal van fotograaf Filip Claus, waarin die – in foto’s – verslag deed van zijn recente tiendaagse verblijf bij Joodse kolonisten in Hebron. Die leven in een goeddeels afgegrendelde, door soldaten bewaakte, internationaal niet erkende nederzetting in een voor de rest Palestijnse stad, op de door Israël bezette Westelijke Jordaanoever.

Het was Claus’ bedoeling om het dagelijkse leven van de Joden te tonen: kinderen die in bad gaan, een besnijdenis, een huwelijk. ‘Het is uniek dat ik er ben toegelaten’, vertelt hij me. ‘Het heeft drie maanden geduurd voor dat mocht. Ik heb erover gedacht om in Gaza te logeren, maar dat is al vaak gebeurd, terwijl er over de Joodse kant minder verschenen is. Ik wilde expliciet geen standpunt innemen. Ik heb met de mensen die ik fotografeerde geen enkel politiek gesprek gevoerd.’

Alleen leidde hij die reeks foto’s in met een korte tekst, waarin hij volgens verschillende lezers – de meerderheid specialisten – net heel duidelijk een standpunt innam. Met zinnen als ‘Na paspoortcontrole kunnen Palestijnen zich vrij bewegen in Joods gebied. Waagt een Jood zich in het Arabische deel, dan riskeert hij gelyncht te worden’, ‘Vanuit enkele Palestijnse huizen kijk je in de nederzetting, ideaal om stenen te mikken’ of ‘In Palestijns gebied is een Israëlische nummerplaat een schietschijf’ reflecteerde Claus volgens de lezers zeer eenzijdig ‘de tunnelvisie van de Joodse kolonisten’. Palestijnen zijn een bedreiging, Joden bidden en maken uitstapjes, dat was volgens veel lezers de teneur. Geen woord over de aanhoudende pesterijen door de Israëlische soldaten, die vele Palestijnse bewoners hebben weggejaagd. Geen woord over het geweld tegen Palestijnen door de gewapende Joodse ­settlers. Geen woord over het feit dat de Joodse kolonie in Hebron in strijd is met het internationaal recht, en zelfs in Israël zeer omstreden is. Een lezer merkte op dat er in de hele reportage wordt gesproken over ‘de synagoge’ – terwijl die synagoge ook een moskee is, waar een Joodse extremist in 1994 een bloedbad aanrichtte onder Palestijnse gelovigen. En, tekenend vond men, onder aan de inleiding werden enkel Joodse bronnen bedankt voor hun hulp – waarom was de fotograaf niet ook met Palestijnen gaan praten?

Apartheid op de Westoever

Opmerkelijk: de redactie was het met de kritiek eens. ‘De geschokte lezersreacties zijn terecht’, zegt redactrice buitenland Ine Roox, die de regio volgt voor De Standaard. ‘Ik ben zelf in Hebron geweest, en kon me evenmin vinden in het beeld dat er in de reportage van werd geschetst. Hebron is net een van de bekendste voorbeelden van apartheid op de bezette Westoever.’ In de maandagkrant werd een – naar de normen van die rubriek – uitgebreide rechtzetting gepubliceerd.

Maar waarom is die fotoreportage, met die inleiding, dan gepubliceerd? Jan Desloover, chef van de fotoredactie, zit er duidelijk erg verveeld mee. ‘Vorige week maandag is Filip Claus (die als freelancer regelmatig voor De Standaard werkt, red.) bij mij gekomen met een harde schijf vol foto’s van zijn verblijf in Hebron. We hebben samen een vijftien à twintigtal beelden geselecteerd, waarbij ik, moet ik toegeven, vooral oog had voor de esthetische merites. Ik had Filip gevraagd om bijschriften en een korte inleidende tekst te voorzien. Die kwamen uiteindelijk pas dicht tegen de deadline aan. In alle drukte ben ik er heel snel overheen gegaan en heb alles naar eindredactie gestuurd. Ik ken de situatie in Hebron zelf niet in detail, en ik heb pas gaandeweg ingezien hoe verkeerd het is geweest om die tekst niet te laten nalezen door iemand van de buitenlandredactie. Met de juiste inleiding en bijschriften hadden die foto’s zeker gepubliceerd kunnen worden, maar gezien de beladenheid van het onderwerp, hadden we daar veel meer aandacht voor moeten hebben.’

Dat is een analyse die ik onderschrijf.

De foto’s vertellen het verhaal

Filip Claus zelf vindt de grote aandacht voor zijn inleiding overdreven. ‘Ik ben een fotograaf, je moet me beoordelen op mijn foto’s. Díé vertellen het verhaal. Misschien had er in de inleiding meer en betere duiding moeten staan, maar anderzijds: ik heb ze voorgelegd aan Ankie Rechess, de Israël-correspondente voor de NOS en de VRT, die me ook geholpen heeft om toegang te krijgen tot Hebron. Als zij die tekst goedkeurt, lijkt er mij geen probleem.’ (Ankie Rechess, door mij gecontacteerd, bevestigt dat, en voegt eraan toe dat Filip Claus wat haar betreft ‘integer en zorgvuldig’ werk heeft afgeleverd. ‘Mijn indruk is dat hij, als totale nieuwkomer in het gebied, de essentie van deze kleine gesloten gemeenschap heel mooi heeft weten te vangen.’)

Claus vertelt wel dat het de eerste keer was dat hij in de regio Israël/Palestina was. ‘Ik heb mijn persoonlijke indrukken willen weergeven, geen politieke analyse schrijven. Ik lees dat lezers me nu verwijten dat ik niet met Palestijnen ben gaan praten, maar daar ging mijn reportage niet over. Vergelijk het met de reportage in Panorama afgelopen zondag, waarin het leven in een motorclub van binnenuit werd getoond. Dan toon je toch ook alleen hoe zij het zien?’

De ombudsman houdt de redactie van De Standaard wekelijks een spiegel voor. Opmerkingen over journalistiek in De Standaard kan u melden via ombudsman@standaard.be en via www.standaard.be/ombudsman, waar u ook links vindt naar zijn Facebook- en Twitterpagina (@OmbudsDS)