Tien keer zoveel spijbelaars onder zittenblijvers
Foto: Lisa Van Damme
Spijbelen is niet alleen een voorbode van, maar volgt vaak ook op zittenblijven, zo blijkt uit cijfers die Vlaams Parlementslid Ann Brusseel (Open VLD) opvroeg bij Vlaams minister van Onderwijs Hilde Crevits (CD&V). Onder zittenblijvers zijn er tienmaal zoveel spijbelaars (1 op de 12 leerlingen) als onder niet-zittenblijvers (1 op de 120).

Het effect is des te groter in het beroepsonderwijs, waar liefst een op de zes zittenblijvers er geregeld de brui aan geeft. In het algemeen secundair onderwijs waagt maar twee procent van de zittenblijvers zich geregeld aan spijbelen. Maar dat is nog altijd tien keer meer dan onder niet-zittenblijvers in het aso.

Vlaams Parlementslid Ann Brusseel (Open VLD), die zelf vier jaar lang lerares Latijn en Frans is geweest, geeft toe dat spijbelen een probleem is dat bestreden moet worden, maar stelt vast dat het in twee richtingen werkt.

'Zittenblijven wordt in het Vlaams onderwijs nog te veel gebruikt als stok achter de deur: pas maar op, want als je er zo je broek aan blijft vegen… Daardoor geraken velen ontmoedigd', zegt Brusseel vandaag in De Standaard.

'Er moeten andere manieren te vinden zijn om hen te motiveren en hen hun leerachterstand te doen inhalen. We moeten de leerlingen ook een wortel kunnen voorhouden: een reden om beter te presteren.'

Bram Spruyt, onderzoeker aan de VUB, is er dan weer niet van overtuigd dat het ene het gevolg is van het andere.

'Aangezien het hier alleen om de problematische spijbelaars gaat, die dertig halve dagen afwezig blijven, is het waarschijnlijk dat de zittenblijvers voordien al spijbelgedrag vertoonden', nuanceert hij. 'Je mag die twee groepen leerlingen niet zo lineair met elkaar vergelijken. Ze verschillen ook nog in andere opzichten van elkaar.'

Je wil onze betalende artikels lezen maar nog geen abonnement nemen? Meld je aan en proef gratis van  plus-artikels.

Lees gratis ›

Geen betaalgegevens nodig