Ondanks een structurele samenwerking met ‘Le Soir’ is de aandacht voor puur Waalse of Brusselse thema’s in de krant beperkt. Dat betekent niet dat ze geen vruchten afwerpt, schrijft Tom Naegels, maar of de kloof tussen de verschillende landsdelen daarmee enigszins gedicht is?

Slechts 5 procent van de artikels op de politieke pagina’s en de pagina’s binnenland van De Standaard gaat over Wallonië. 7 procent van de verhalen speelt zich af in Brussel. Dat blijkt uit een onderzoek dat ik net heb afgerond, en waarbij ik meer dan drieduizend artikels (3.162 om precies te zijn) heb bekeken die over zes maanden tijd in die eerste twee katernen van de papieren krant verschenen zijn.

Ik wilde een analyse toetsen die ik geregeld hoor: ‘we’ – Vlamingen en Walen – kennen elkaar niet goed, leven naast elkaar, begrijpen elkaars bekommernissen niet en een indicator daarvan (sommigen denken: een van de redenen ervoor) is de lage media-aandacht voor het andere landsgedeelte. Dat die laag is, blijkt te kloppen.

Dat is minder ‘ja, duh’ dan op het eerste gezicht lijkt. De Standaard werkt immers al geruime tijd structureel samen met Le Soir. Dat is begonnen in 2007, toen de twee kranten de reeks ‘Noord/Zuid’ op het touw zetten. Sinds 2011 is de samenwerking intenser geworden, beginnende met de reeks ‘België in blessuretijd’, een reconstructie van de federale regeringsonderhandelingen. Vandaag delen de kranten hun planningen voor de volgende dag met elkaar, kunnen ze artikels van elkaar overnemen, nemen ze al eens samen interviews af van federale politici, contacteren journalisten van beide redacties elkaar als ze telefoonnummers of achtergrondinformatie zoeken, en organiseren ze samen lezingen en debatten over, bijvoorbeeld, Europa of Thomas Piketty.

Uitwisseling van ideeën

‘Precies daarom denk ik dat je het ruimer moet zien dan artikels tellen over Wallonië’, zegt Béatrice Delvaux, die als toenmalig hoofdredacteur van Le Soir in 2007 mee aan de wieg stond van de samenwerking. ‘Het is eerder een permanente uitwisseling van ideeën. En het helpt om sommige grote interviews vast te krijgen, zoals dat met Wolfgang ­Schäuble (DS 29 juni 2013) , of het dubbelinterview met Charles Michel en Wouter Beke (DS 18 januari 2014) .’

‘Het resultaat zal je eerder zien in artikels over federale politieke thema’s, en dus algemeen-Belgische zaken, of in gezamenlijke interviews met kopstukken, dan in de hoeveelheid artikels specifiek over Wallonië’, zegt Peter De Lobel, chef politiek en liaison met de Wetstraat-redactie van Le Soir. ‘Daarvan merk ik dikwijls dat we tegen elkaar zeggen: “Dit is wel erg Vlaams, dat interesseert jullie wellicht niet”, of omgekeerd. Net omdat ze vooral betrekking hebben op Vlamingen. Bovendien gaat het soms om meer technische zaken, een welbepaald onderdeel van het Marshallplan bijvoorbeeld. Die combinatie maakt dat voor lezers in het andere landsgedeelte minder relevant.’

Ook Inge Ghijs, chef van de redactie binnenland, verwijst naar de regionalisering. ‘De thema’s waarin wij gespecialiseerd zijn – onderwijs, welzijn, landbouw, mobiliteit, klimaatbeleid... – zijn geregionaliseerde materie. Als je dan op zoek gaat naar verhalen over zaken die een impact hebben op de levens van je lezer, beland je haast automatisch in Vlaanderen. Ik weet niet of lezers van De Standaard zitten te wachten op stukken over het Waalse onderwijs. Bij de redacties economie of cultuur zal de aandacht groter zijn, denk ik. Ook op opinie proberen we geregeld Franstalige opiniemakers te plaatsen. Wat niet wegneemt dat, als er zich in Wallonië ontwikkelingen voordoen die ook voor ons relevant zijn, wij daarover berichten. Ik denk aan een artikel over de plannen van Moeskroen om een muur te bouwen tegen Noord-Franse woonwagenbewoners(DS 18 mei 2015) .

Ghijs stipt ook aan dat er hen vanuit Wallonië nooit persberichten of uitnodigingen voor persconferenties bereiken, waardoor een belangrijk kanaal voor nieuwsgaring de facto niet bestaat.

We zien dus dat het argument ‘directe relevantie voor het leven van de lezer’ de doorslag geeft. De Standaard en Le Soir werken wel degelijk samen, maar dan rond thema’s die federaal gebleven zijn (of Europees). Dat is niet weinig: als ik schrijf dat 5 procent van de artikels over Wallonië gaat en 7 procent over Brussel, dan wil dat niet zeggen dat 88 procent van de stukken over Vlaanderen gaat. 38 procent van de artikels in de secties politiek en binnenland heb ik geklasseerd onder de noemer ‘België (algemeen)’: stukken over studies, rapporten en onderzoeken, over het wel en wee van de federale regering, het asiel- of het energiebeleid. Het is mogelijk dat de samenwerking daar intenser is, al zie je dat daarom niet altijd aan het eindresultaat.

Zwart gat in ‘De Standaard’

Wat ook betekent dat een ander argument geen rol lijkt te spelen: een grotere kennis van elkaar verwerven, inzicht in elkaars bekommernissen krijgen. Toen de twee kranten in 2007 hun samenwerking begonnen, was dat nochtans de voornaamste reden: de communautaire spanningen liepen hoog op, er was behoefte aan journalistiek die het gewone leven in de andere landshelft belichtte. Toenmalig hoofdredacteur Peter Vandermeersch zei toen in het interview dat de reeks inleidde: ‘We volgen de Franstalige politiek wel vrij behoorlijk, de sport ook, maar de bredere samenleving in Wallonië, de media of de cultuur, dat is een zwart gat in De Standaard.’ (‘We kunnen er allen iets uit leren’, 17 maart 2007 ).

Acht jaar later, en ondanks een goed ingeburgerde samenwerking met een Franstalige krant die geregeld mooie journalistiek oplevert, is dat dus niet anders.

De ombudsman houdt de redactie van De Standaard wekelijks een spiegel voor. Opmerkingen over journalistiek in De Standaard kan u melden via ombudsman@standaard.be en via www.standaard.be/ombudsman, waar u ook links vindt naar zijn Facebook- en Twitterpagina (@OmbudsDS)

Aanvulling. Gebruikte methode.

Voor dit onderzoek heb ik alle artikels bekeken die verschenen op de pagina’s Politiek en Binnenland van de papieren ochtendeditie van De Standaard (en de voorpagina en pagina’s 2 en 3 als die een binnenlands onderwerp bevatten), gedurende een periode van 6 maanden, van 10 juni 2014 tot 9 december 2014. In totaal ging het om 3162 artikels. Ik heb alles meegerekend, ook de hele korte stukjes in de rubriek Kreten en Gefluister.

161 artikels (5%) gingen over Wallonië. 223 (7%) over Brussel (het Hoofdstedelijk Gewest en de stad, en berichten over de Rand rekende ik er ook bij.) De overgebleven groep van 88% heb ik onderverdeeld in ‘Vlaams’ (1583 stukken, 50%) en ‘Belgisch (algemeen)’ (1195 stukken, 38%), al was dat onderscheid in de praktijk niet altijd gemakkelijk te maken (is een interview met een CD&V’er over de federale regeringsvorming Vlaams of Belgisch?), dus is het goed om die laatste twee percentages enigszins te relativeren. Het gaat om de grootte-orde.