Minister Schauvliege opent Week van de Bij
Foto: gjg

Met het gooien van ‘zaadbommetjes’, kleibollen die letterlijk kiemen bevatten voor bijvriendelijke bloemen, heeft Vlaams minister van Omgeving, Natuur en Milieu Joke Schauvliege zondag in Geraardsbergen de tweede ‘Week van de Bij’ geopend. Dit jaar vestigt het departement Leefmilieu, Natuur en Energie de aandacht op het belang van de bij.

‘Aandacht voor bijen is nodig, want ze spelen een uiterst belangrijke rol als bestuiver van landbouwgewassen en fruitteelten, maar bijensterfte van vooral de honingbij betekent ook een bedreiging’, aldus minister Schauvliege.

Ze benadrukte dat elke Vlaming met eenvoudige middelen zelf actie kan ondernemen om de leefomstandigheden voor de bijen te verbeteren en hun voortbestaan te verzekeren. Bijvoorbeeld door te kiezen voor bijvriendelijke planten in de tuin, een bijenhotel te bouwen of chemische bestrijdingsmiddelen te beperken.

Voor de tweede Week van de Bij (van 31 mei tot 5 juni) werd heel wat nieuw educatief materiaal ontwikkeld, waaronder een kinderboek met antwoorden op honderd kindervragen over de bij. In het oog springt de educatieve game ‘HiveLife. Bijzaak wordt Hoofdzaak’, dat Chocolatier Dominique Persoone, zelf bijenhouder en peter van de Week, zondag met minister Schauvliege voor het eerst speelde.

Verder zijn er ook nog nog drie informatiemappen samengesteld: voor lagere scholen, tips voor imkers om klasgroepen te ontvangen en praktijkvoorbeelden voor bijvriendelijk openbaar groen. Overigens kiest de Vereniging voor Openbaar Groen in het najaar de meest ‘bij-vriendelijkste gemeente’ van Vlaanderen.

Bijensterfte tegengaan

Voor de Gentse professor Dirk de Graaf zijn er vijf corrigerende maatregelen om de bijensterfte tegen te gaan. ‘Voor de eerste twee maatregelen, meer eten en minder vergif, kan iedereen een inspanning leveren, dus ook het grote publiek’, zegt de wetenschapper van het departement Honneybee Valley van de Ugent. De drie andere maatregelen, een minder mobiele sector, verstandig kweken en goede imkerspraktijken, hebben betrekking tot de bijenhouderij zelf.

‘Omdat de sector voornamelijk bestaat uit hobbyisten, is de steun van overheidswege sinds mensenheugenis eerder beperkt geweest en valt de lokale imker voornamelijk terug op het verenigingsleven voor steun en sturing’, zegt de Graaf. ‘Men is een weg opgegaan die niet meer steunt op wetenschappelijke inzichten.’

De schade die daardoor is aangericht, is bijna onomkeerbaar. Onder meer het verlies van het lokale bijenras, een enge genetische stock, voortdurend invoer van vreemde lijnen met het risico op invoer van nieuwe ziekten en tot slot imkerpraktijken die voornamelijk gericht zijn op medicamenteuze behandeling van de varroa-mijt, zijn het gevolg. ‘Neem daarbij een landschap dat sinds de jaren vijftig alsmaar mee bijenonvriendelijk is geworden, en je zit met een mix aan bedreigende elementen die we niet zo maar even kunnen opruimen.’