De punten van de jury
Lim Ji Young / stephen Waarts Foto: belga/photonews

De uitreiking van de Elisabethwedstrijd is altijd een krankzinnig moment, maar gisteren werd het toch echt te dol. Toen juryvoorzitter Arie Van Lysebeth bekend maakte dat de Zuid-Koreaanse Lim Ji Young de wedstrijd gewonnen had, stormde niet zij, maar haar landgenote Lee Ji Yoon vol ongeloof het podium op. Een pijnlijke, maar verstaanbare vergissing: het fonetisch verschil tussen beide namen is nu eenmaal verwaarloosbaar.

Het incident op de finale is het hardst denkbare bewijs dat niemand weet hoe deze wedstrijd zal kunnen aflopen – zelfs de deelnemers niet. Wedstrijden hebben de reputatie spannend en avontuurlijk te zijn. Maar het verloop van de Elisabethwedstrijd is van nature ceremonieus en repetitief: de laatste avond verschilt in niks van de eerste. Natuurlijk zijn er diverse kandidaten waarvoor je kan supporteren en springt er al eens een snaar. Maar dit is geen bloedstollende voetbalmatch met opspattend gras en spelers die elkaar tackelen met de voeten vooruit. Welke kandidaat hoeveel voorsprong heeft op een andere, is tot aan de proclamatie van het klassement een raadsel. Zelfs bij een individuele tijdrit op de Tour de France weet je altijd perfect hoe de kansen liggen.

Op de Elisabethwedstrijd zet wiskunde de dingen op scherp: de einduitslag reflecteert de optelsom van afzonderlijke, anonieme quoteringen. De vraag of je muzikale prestaties volgens mathematische logica kunt classificeren, is op zichzelf niet erg interessant. Maar heeft zo’n overwinning op punten ook iets te zeggen over muziekwedstrijden in het bijzonder en klassieke muziek in het algemeen? In de krant van morgen gaan we daar in een nabeschouwing dieper op in, maar eerst nog even inzoomen op de prestaties van gisteren.

Lim Ji Young: doordacht en doorleefd

Dat Lee Ji Yoon en Lim Ji Young op papier amper uit elkaar te houden zijn, is begrijpelijk. En dan traden ze in de finale nog aan met hetzelfde concerto ook. Nochtans liggen hun muzikale kwaliteiten ver uiteen. Lim won vorig jaar brons op het vioolconcours van Indianapolis, waardoor ze Lee – die toen zesde werd – achter zich liet. Sinds afgelopen weekend, met Lim als winnares van de Elisabethwedstrijd en Lee in de slotrangen, lijkt de kloof tussen beide uitgegroeid tot een ravijn.

Lim begon haar finaleproef met een fraaie, schilderachtige lezing van het plichtwerk. Ze opende met vinnig gearticuleerde notenguirlandes, waarin ook tal van details opgelicht werden. Bij haar geen uitgedunde, maar helder geprojecteerde vioolklank. De recitatiefachtige passage die daarop volgde, kwam als een theatraal monoloogje. In het etherische middendeel liet ze – net als haar landgenote Kim Bomsori – de noten voor wat ze zijn, wat een Morton Feldman-achtige soberheid opleverde. Zonder moeite schikte ze zich naar het orkest: de dubbelvibrato’s waarmee dat deel afsloot, liet ze fijntjes doorvloeien naar het strijkerscorps. Minder overtuigend was het derde deel, waarin ze fantasie tekort schoot om het geworstel met de noten te transformeren in luchtballet. En werd daar ook niet een beetje gefoeterd in de coda?

Toch zal het met haar Brahmsconcerto zijn dat Lim hoge punten scoorde. Met onspectaculair knap vioolspel maakte ze er een doordachte en doorleefde uitvoering van. Lim opende elektrificerend, met een helderfelle lezing van de openingsgeste. Hoewel ze in aanloop naar de hoofdmelodie eventjes het contact met het orkest verloor, bleek toch ook een groot besef van de klankschikking. Wanneer ze begeleidingsfiguren te spelen had voor de fluit, of een lijntje moest spelen dat ondergeschikt was aan de hobo, plooide Lim haar kleurenpalet zorgvuldig om. Ook de nauwgezetheid waarmee ze in de finale een weg baande doorheen het figuratieve netwerk, maakte indruk. Uit het geduld waarmee ze de verschillende secties van het finale rondo uiteen hield, bleek bovendien hoe slim en goed gedoseerd haar energie was. Hier en daar griste ze al eens een extra nootje mee of ging – zoals in de langzame beweging – een trekje de pijp uit. Maar de totaalindruk was toch die van een solide en gevoelvolle soliste die haar gevoel voor virtuositeit zo onderdrukt dat de muziek genoeg ruimte krijgt om te ademen. Een eerste prijs lag binnen handbereik, de punten deden de rest.

Stephen Waarts: geen tandengeknars

Dat Stephen Waarts, de laatste kandidaat van de wedstrijd, uiteindelijk een landing maakte op de vijfde plek van de rangschikking, was voor velen een verrassing. Veel meer werd verwacht van deze Nederlandse Amerikaan, die op de halve finale grote sier maakte met technische perfectie en geraffineerde brio. Geen goud, zilver of brons dus voor Waarts, maar wat doet dat ertoe als je nog piepjong bent en als muzikant reeds zoveel maturiteit bezit? Hij is een nu al een supertalent, straks misschien een superster.

Het plichtwerk kwam bij hem consistent en helder uit de verf. Waarts speelde ritmisch accuraat en hield het tempo boeiend. Mooi om horen hoe hij de viool in het middendeel liet versmelten met strijkers of slagwerk. Het derde deel, dat bij menig violist tot zelfherhaling leidt, kreeg een rake lezing.

Het Bartokconcerto dat volgde, was om door een ringetje te halen. Loepzuivere intonatie, vlekkeloze virtuositeit, welgevormde melodieën: zoals Waarts het speelde, kreeg deze muziek een modeluitvoering. Toch bleven we wat op onze honger zitten. Hoe razend knap en vaardig Waarts ook door de partituur fietste, erg gewaagd of theatraal verbluffend was het niet. Met de herinnering aan Feldmanns sproeiende sferenfontein nog fris in het geheugen, kwam de vertolking van Waarts wat meer afgemeten en minder dwingend over.

Van iemand die zichzelf omschrijft als een wiskundig genie, kan je zoiets wellicht verwachten. Tijdens zijn uitvoering moesten we onwillekeurig denken aan de beroemde uitspraak van Gottfried Wilhelm Leibniz, die muziek omschreef als de verborgen rekenkundige exercitie van een ziel die niet beseft dat ze rekent. Achter die schitterende uitspraak hoor je het tandengeknars van een wetenschapper die heel exact wil weten wat er in het ontroerende van muziek precies gaande is. Bij Waarts was dat geknars niet echt voelbaar. Maar dat komt nog wel, wees gerust.